Vinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo SliderVinaora Nivo Slider

234 - Getekend door de oorlog

 
Daniël de Zeeuw Mijn naam is  Daniël de Zeeuw en ben in 1936 in de Hunzestraat geboren. M’n broer Jopie was 2 jr ouder en een zussie kwam in ´44 als nakomertje. Ons gezin woonde in de Hunzestraat  op nr 102-2. Dat was een 3 kamerflat, met een voor, zij- en achter-kamer(slaapkamer pa en ma) en een extra (jongens-)slaapkamer en badcel op de 3e verdieping. Deze kamer had een eigen binnentrap en onze kamer had uitzicht op het z.g. ´plat´. Daaronder zat de veranda, met kolenkit, bezemkast en onze schommel. De waranda was ons buiten en daar hebben we veel verkeerd. ’s Zomers kon het daar snikheet zijn. We hadden een electrische deuropener, die je boven met een knopje kon bedienen. Dat was een noviteit, want de meeste huizen hadden nog een trektouw. Zo werd het ook bij ons toen er in de winter geen stroom meer was.

Op de eerste etage woonde de familie Dobbe. Dochter Willy is nog jaren bij de Tros omroepster geweest. Helemaal beneden woonde opa en oma Kersbergen. In mijn ogen hele oude mensen. Die hadden een tuintje. Als er weer eens wat van de waranda afgerold was moesten we vooral heel beleefd aanbellen om de bal, of wat er ook naar beneden gevallen was terug te vragen. Teruggave hoefde van pa en ma ook beslist niet gelijk; je moest oude mensen niet haasten. 

De huisbaas heette Veneman. Een echte HUISbaas. De voorschriften van wat wel en niet mocht waren streng. Regelmatig werd door hem gecontroleerd of alles er nog netjes uitzag. De huur haalde hij de 1e maandag van de maand op en dat moest gepast zijn. Mijn moeder had altijd de zenuwen voor die vent, want soms was het er niet of niet gepast. Dan moest het diezelfde dag nog bij hem thuis bezorgd worden.

Veel  huizenblokken in de Rivierenbuurt zijn in rechthoeken gebouwd, met aan de binnenzijde tuintjes van de benedenburen en veranda’s voor de bovenbewoners. Op de 3e verdieping had je een soort dakterras (‘het plat’) noemden wij dat, het was eigenlijk het afdak was van de veranda’s van de 2e verdieping en niet bedoeld om over te lopen. Er was geen balustrade voor. Wij moesten ook uit het raam klimmen om erop te komen, hetgeen ons streng verboden was. Dat liet niet de buurvrouw van de hoek onverlet om haar boxer daar los te laten lopen. Die had tot gewoonte bij ons voor op het plat te schijten. Ik zie mijn moeder nog met die dikke drol op de kolenschop aanbellen bij diezelfde buurvrouw met de vraag: ‘Waar ze em laten moest?’

Als kind moest mijn broer of ik tussen de middag altijd brood halen in de Rijnstraat. De melkboer Helsloot kwam aan de deur met bakfiets met van die nikkelen melkbussen erop met zo’n tapkraan. Je moeder ging toen 2 trappen af met een literkan. Nu onvoorstelbaar!  Schillen werden steevast bewaard voor de schillenboer met paard en wagen. Als de man twee trappen omhoog liep om de schillenbak op te halen rook je aan hem dezelfde lucht als z’n kar verspreidde. Soms had ie z’n zoontje bij zich; die zat dan midden tussen dat groen- en aardappelafval en zag er niet uit, zo smerig!

Op de hoek van de Hunzestraat had je de Rivierenlaan. Daarna, behalve het zwembad, opgespoten land  tot aan de Zuidelijke wandelweg, een eindeloos terrein. We noemde het: ‘het land’, waarbij het stuk tussen de Kunstzijdefabriek en het zwembad het ´kleine land´ heette en het stuk naar de (nu) Rai toe het ‘ grote land’.  De permissie beperkte zich vaak tot het ‘ kleine’ , want dan konden je ouders je nog terugvinden.

Wanneer het hard waaide kwam je op de hoek van de straat in een complete zandstorm terecht. Wij hadden dus een fantastisch speelterrein, waar we kuilen konden graven, fikkie stoken en straatgevechten houden (straat tegen straat).  Ook nog 2 moerasgebieden, die we als het even kon in de hens staken.

Hier zit mijn moeder op het ‘kleine land’ met broer Jopie en is in verwachting van mij (sept 1936)Ook werd er veel op straat gespeeld. Gestept, geknikkerd, dieviemetverlos, gehoepeld met een fietswiel zonder spaken en zo meer.  Het ging er vaak ruig aan toe. Lijn 25 reed door de straat. In m’n herinnering: gillend en knerpend, als ie bij de Zoomstraat door de bocht ging. Het eindpunt op de Rivierenlaan lag verhoogd. Maar bij de kunstzijdefabriek aan de Amstel had je een fantastische hoge helling, waar je ´s winters vanaf kon sleeën, tot op het dichtgevroren slootje ernaast. In 1944 zijn in die dijk grote kuilen gegraven, waar bewoners hun afval konden dumpen, want het vuil werd niet meer opgehaald.
De broertjes de Zeeuw met rechts de tricot en kunstzijdefabriek


Ook de Amsteloever was een geliefd  terrein. Bij het eind van de Zuidelijke Wandelweg had je een overzetveer d.m.v. een roeiboot. De man heette Roodhuis of zo en woonde aan de overkant. Er hing een bel aan deze kant. Voor een paar cent werd je overgezet. Maar ja, centen hadden we niet! Een enkele keer ging je met pa over. Waar nu het Mirandapaviljoen is was toen een echte pont, waar je voor niks mee over kon.  Dat was een personeelspontje voor de gasfabriek aan de overkant.  De pont had een heel klein roefje waar het in de winter altijd lekker warm was. We probeerden wel te blijven zitten om zo heen en weer te varen, maar als ze je snapten werd er af gegooid en stond je soms aan de verkeerde kant.

De tram door de straat gaf wel een aparte dimensie.  Lang hebben we de oude tramstellen meegemaakt, want met het uitbreken van de oorlog werd er niets meer vernieuwd. Dat waren een hoofd- en bijwagen met van die slangen ertussen. De bestuurder stond voorin en draaide aan zo’n grote regelaar om te remmen of ‘gas’ te geven. Knerpend ging ie door de bochten. Bellen deed ie met een voetpedaal. Echte rammelkarren met van die houten banken , waarvan er altijd te weinig waren en waar je als jongetje nauwelijks de zitkans voor kreeg  Er was altijd wel een oudere die er automatisch van uit ging dat je snel opstond en anders lieten ze  dat wel aan je weten. Vasthouden moest je je aan van die leren lussen, die aan het plafond hingen, maar daar kon als jongetje nooit  bij. Daarboven liep nog een lange dunne leren lijn. Als de conducteur daar aan trok wist de bestuurder dat ie bij de e.v. halte stoppen moest. De voor- en bijwagen hadden een conducteur die kaartjes verkocht.  

M’n zussie a/d Amsteloever (1947) met links nog de gasfabriekDie had zo’n muntautomaat aan z’n riem hangen, met kokertjes voor kwartjes/dubbeltjes/ stuivers en centen. Als ie op zo’n palletje drukte had ie 1 muntje.  Er zaten geen deuren in die trams; alleen houten binnendeuren met glas die het middengedeelte afsloten. De balkontemperatuur was dus gelijk aan die van buiten. Geëmailleerde bordjes waarop stond: “Niet spuwen” en “Tijdens rit niet met de bestuurder spreken”.  Instappen deed je via de treeplank en op m’n netvlies staan nog de kluwen mensen die soms op de treeplank buiten de tram hingen. Dat had te maken met de frequentie van de dienstregeling. Tijdens de oorlog was er vaak geen stroom en dus, naarmate de oorlog vorderde reden er steeds onregelmatiger trams..

Mijn kleuter- en lagere school was de Bugenhagenschool in de ‘knik’ van de Uiterwaardenstraat. Het hoofd was dhr Kijlstra met een bocheltje. Als ik me op het fotootje uit 1940 terugzie, ruik ik nog de blokkendozen. Door de oorlogsschaarste was er later soms geen school, of moesten we naar een andere locatie. In de 6e klas zat ik in de Dintelstraat met o.m. Co Rentmeester. Hij werd later bekend fotograaf in de VS o.a. voor het blad Life. Vervolgens naar de Centrale school voor ulo (CUS) aan het Borssenburgerplein, met dhr den Toom a/h hoofd. Een hele goede school, met fijne leraren. In de kerstvakantie van 3e klas collecteerden we voor VKF (vakantiekinderfeest) Dat was traditie.  Als beloning kregen we dan een weekend in het Roskamhuis in Nunspeet. In de CUS periode heb ik o.a. met Paul Mulder en ook met Jaap van Ommen in de klas gezeten.

Getekend door de oorlog
Het klinkt beladen, maar mijn leven is getekend door de oorlog.  Ik weet nog als de dag van gisteren dat bij het overvliegen van de Duitse formaties in mei 1940, mijn pa en ma omstrengeld in de kamer stonden, huilend, waarbij mijn pa zei:  "Nu is het oorlog".
Terugdenkend aan dit moment krijg ik nog steeds koude rillingen. De angst en zorg zijn terecht gebleken: Op dat moment brak de 5-jarige periode aan, waarbij NIETS MEER ZEKER WAS, vooral niet hoe lang het zou duren. De periode dat men voor het minste vergrijp kon worden opgepakt. En als je eenmaal in het gevangencircuit zat ,was je toekomst ongewis. Je kon zomaar de kogel krijgen wanneer er een voorbeeld gesteld moest worden, of ook zomaar worden vrijgelaten. Men kon één dag gevangen worden houden, maar als je het slecht trof kon je via Amersfoort in een concentratiekamp terechtkomen. Die angst voor het onbekende, het rechteloze  hebben mijn ouders op me overgebracht. Ach, er zijn boeken vol over geschreven, maar DAT GEVOEL en DIE ERVARING moet je aan de lijve ondervonden hebben. En dan was ik nog maar kind! 

 1945/46. 3 kids de Zeeuw op de kolenkit. Hunzestraat 102”Aangezien ik een klein jochie was toen de oorlog begon kan ik me maar flitsen daaruit herinneren.  De Duitse vliegtuigen die bij de invasie massaal overkwamen en het gedonder van het afweergeschut (uiteindelijk woonden we niet ver van Schiphol!)  We hadden toen al de maatregel achter de rug dat, bij donker de ramen verduisterd moesten zijn. Ik zie nog pa en ma ijverig bezig om van dat zwarte kartonpapier achter de bovenramen te maken, want de stad moest donker zijn.  Vreselijk vond ma dat. Ze was zo zuinig op haar mooie huis. Om diezelfde reden brandden er uiteraard ’s nachts ook geen straatlantaarns. En de enkele auto die er reed had lampen waarvan de bovenkant afgeplakt was. Als we ’s winters op zondagavond uit de kerk (Oost) kwamen lopen, was de stad spookachtig; de mensen schimmen.  Verder heb ik herinneringen aan marcherende Duitse troepen, zeer gedisciplineerd.  NSB ers aan de kant van de weg met de arm omhoog. Maar verder ging het gewone leven door.

Het werd anders toen de oorlog vorderde en de moffen Nederland steeds leger roofden. De schaarste diende zich aan. Dat ging van brood tot kolen; en van fietsbanden tot gas en elektra. En niet te vergeten: koffie,  thee en sigaretten. De moffen hadden maar één prioriteit en dat was de oorlogsmachine.  Bonkaartensysteem werd ingevoerd omdat, waar schaarste is, er onmiddellijk gehamsterd wordt. En dus werd ook het persoonsbewijs ingevoerd om legitimatie mogelijk te maken. De eigen brave Nederlandse overheid heeft het de moffen niet makkelijker kunnen maken om vervolgens bij de joden daar een J bij te stempelen.

Pa werkte voor de oorlog in de confectie op de Keizersgracht bij Toeman brothers. Toen in ’39 de joodse eigenaar de benen nam naar Amerika werd hij als procuratiehouder aangesteld. Het bedrijf maakte gummi regenkleding en heeft ook voor de Wehrmacht gewerkt, waardoor hij veel joden kon behoeden kon voor deportatie. Ze waren immers onmisbaar!

Pa was inmiddels in het joodse circuit ingeburgerd. De hele (confectie-) handel was toen in handen van de joden. Pa kon als ‘goy’ (-niet jood) echter heel goed met ze overweg en heeft veel woorden van ze overgenomen. Woorden als ‘blinde maupie’ (-eerst zien en dan geloven),  ‘versjteren’(-verzieken),  ‘achenebbisj’ (-armoedig) gebruikte hij regelmatig. Hij heeft het hele proces van razzia’s van heel dichtbij meegemaakt. De ateliers van Toeman Brothers waren compleet bemand door Joden en Jodinnen( de atelierchef heette Papegaai), die zo gevrijwaard waren van deportatie, totdat…..  Vaak is hij naar de Euterpestraat geweest als mensen niet op het werk kwamen omdat ze ’s nachts waren opgepakt. Vaak ook gelukt om ze weer los te praten omdat ze z.g. onmisbaar waren voor de ‘wehrmacht’-productie. Totdat hij zelf van een betrouwbare politieman hoorde: “Als ze je nu nog één keer daar zien, pakken ze jou op”. De pressie van de mof werd steeds benauwender.

Wat was goed en wat verkeerd tijdens de oorlog. Het was nooit zwart of wit. Als je hoort dat de firma van je pa voor de Moffen gewerkt heeft, ben je toch blij als je achteraf zo’n brief van de “Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers” leest. 

Brief van de LO aan pa via de fa Toeman Brothers
‘Oma’ van Buren met haar man waren Joden, zonder kinderen, die pa ook kende vanuit zijn zakenwereld. Ze kwamen rond  het begin van de oorlog vaak bij ons over huis. En dat was een feest,  want oma van Buren was een echte suikeroma.  Een alleraardigste vrouw die vooral gek was op m’n broer Jopie. Ze kwam regelmatig met dure cadeaus aan, wat pa en ma helemaal niet wilden. Uit die tijd stamde de Schuco auto met garage. Als je op het telefoontje opzij drukte schoot de auto eruit.  Ook ander duur speelgoed kocht ze voor ons.  Alles deed ze met de mededeling:  ‘Straks nemen de Moffen ons toch alles af. De Joden wisten wat hun boven ’t hoofd hing. Pa heeft na de oorlog uitgevonden  dat ze in Auschwitz zijn omgekomen.

Razzia’s in de straat meegemaakt. Op een zondagmorgen heel vroeg  een hoop lawaai in de Hunzestraat, die van de ene tot de andere kant was afgezet. Overvalwagens met van die huiven midden op straat, Duitse soldaten die met geweerkolven op deuren ramden. Ze wisten precies waar joden woonden. Op m’n netvlies zie ik dan nog de familie Pappot; een jong echtpaar met 2 schattige kinderen van rond de 4 jaar, keurig aangekleed met manteltjes en een koffertje naar buiten komen om in zo’n overvalwagen te stappen. Ze woonden in het benedenhuis op nr 109.  We stonden er huilend en machteloos vanachter de vitrage naar te kijken. Mijn oom Maarten heeft verteld dat toen op het braakliggende stuk grond, waar nu de Thomaskerk staat er een 3-jarig joods meisje rondliep, die door haar ouders daarheen gestuurd was terwijl ze zelf opgepakt werden.  Het is diezelfde dag nog opgenomen in een gastgezin.

Een andere keer schrokken we ons te pletter toen we ’s morgens om 6.00 uur door pa heel stil wakker werden gemaakt. Het was razzia en een wehrmachtsoldaat stond op het ‘plat’, vlak voor ons raam met  geweer in aanslag.  Ze zochten naar mensen van de illegaliteit.  O.a. de buurman van 2  flats verderop , op de 1e etage. Die is ongezien van het balkon gesprongen en bij de benedenburen naar binnen geglipt. Daar is hij bij de buurvrouw in bed gekropen, terwijl buurman Morsink zelf z’n voordeur uitliep. Die werkte in ploegendienst bij een of andere nutsvoorziening en had een ausweis daarvoor. Ondertussen stonden je ouders als trillende rietjes bij elkaar, bang dat pa ook meegenomen zou worden. Hij had z’n noodtas klaar staan. Je wist immers nooit wie of wat ze zochten?  De moffen namen trouwens bij voorkeur iedere verdachte mee en op het bureau werd wel uitgezocht wie weer naar huis kon. 

Met het oog op razzia’s heeft pa een schuilplaats laten bouwen in de bergkast. Broer Jopie en ik mochten op die woensdag uit school niet naar onze kamer. Daar was  Julsing (fijn timmerman) bezig om ‘een ombouw voor ons bed te maken’. De werkelijk was dat de man de bedombouw al lang ge maakt had. Die had ie alleen maar meegenomen en in elkaar gezet. Maar hij is een hele dag aan het timmeren geweest om het schoorsteenkanaal dat door de kast liep zodanig te verbreden en te camoufleren zodat er een schuilplaats was waar pa in noodgevallen in kon staan. Hij heeft hem een enkele keer gebruikt, maar het was steeds loos alarm.

Op een zondagmiddag kwam een vrachtauto voorrijden en werd zomaar de hele fietsenstalling in de Hunzestraat leeggehaald. Terwijl de eigenaars daar een ‘ausweis’ voor hadden. Rechteloos was je!!!!!! Enfin, ik had nog geen fiets, ik was nog maar 7 jaar. En pa z’n fiets had ie toevallig naar boven gesleept.

Mijn favoriete bezigheid was het zoeken van granaatscherven. Op de ringdijk (nu A 10) stond afweergeschut en zoeklichten. Als ’s nachts de Engelse bommenwerpers overkwamen met bestemming  Duitsland dan was het bal. Die ontploffende granaten kwamen als scherven neer en als ik maar even vrij had dan ging ik die zoeken. Ik had een sigarenkist vol. Op een keer was het kennelijk zo intensief geweest, dat ik wel 3 sigarenkisten bij elkaar kon rapen. Toen ben ik gestopt, het was niet leuk meer. En pa en ma maar zeggen: Wat moet je toch met die rotzooi. Op een nacht is er ook een granaatdop schuin door het slaapkamerraam van pa en ma geslagen en in de vloer blijven steken. Pa en ma zijn zich doodgeschrokken. Ze renden als hazen naar boven en dachten op z’n minst dat wij doorzeefd waren.

Radio hadden we niet. De moffen hadden het bezit verboden en iedereen moest em  inleveren. De meesten deden dat niet, maar zoiets wegbergen, zodat de moffen het niet konden vinden en dan toch kunnen luisteren, was een moeilijke combinatie. We hadden trouwens draadomroep; dat was een schakelaar met 4 standen. Ik geloof dat er maar 2 zenders te beluisteren waren. Hij was nooit aan. Kort na de oorlog kregen we een echte radio die op de ether werkte. Een Erres met zo’n groen afstemoog.

Mijn oom  en tante woonden een poosje t.o. ons in de Hunzestraat, ook op 2 hoog. Mijn oom ‘werkte’ bij m’n pa om vrij te blijven van de Arbeitseinsatz. Op gegeven moment hoorde pa dat z’n zus in verwachting was, waarop hij zei: ‘Maarten, het is nu geen tijd om kinderen te krijgen’. Een paar maanden later bleek mijn ma in verwachting. Het laat zich raden wat oom Maarten gezegd heeft.       

Pa met m’n zussie Ria(ca 1945)De winter van 1944 was een hele strenge. Ook thuis werd de nood hoger. Inmiddels was zussie Ria geboren en toen dus een baby met haar behoeften.  Pa had weliswaar een volkstuin achter de Zuidelijke Wandelweg waar hij de eerste oorlogsjaren groente en aardappels kon telen. Maar allengs werd het oogstmoment steeds vaker door anderen bepaald; m.a.w. van alles werd weg gejat. Derhalve ging pa geregeld  op voedseltocht. Daarbij was Woubrugge favoriet, want  bij oom Hannes en tante Pietje kon hij slapen en die hadden zo weer hun adresjes. Gelukkig had hij ruilwaar, want op de zaak lagen op verborgen plaatsen nog wel wat lappen stof, die hij de bij de boeren goed kon slijten tegen etenswaren. Groot probleem was de ‘landwacht’ die op de invalswegen van Amsterdam alles en iedereen controleerde. Die NSB’ers  waren zo corrupt als de pest en die pikten dus van alles in.

Pa was een keer op voedseltocht komen fietsen van Woubrugge en werd vóór Amsterdam gewaarschuwd voor controle bij Rozenoord. Hij is  toen door Sperrgebied over de Ringdijk via volkstuinen en door sloten heen  thuis kunnen komen. Hij belde aan en kon nog net zeggen: ‘Breng m’n fiets naar boven (2 trappen op!)’. Hij kon niet meer op z’n benen staan.  Ma heeft hem eerst naar boven geholpen en op bed gelegd. Wij moesten op de fiets passen, want pa had wel 2 volle fietstassen met graan en melk en een haan!  Kolen waren heel schaars. Op het slechtst van de oorlog kregen de bakkers  geen meel meer geleverd en ging pa zelf brooddeeg maken en inleveren bij de bakker, die af en toe nog wel z´n oven kon stoken. Ik zie nog al die blikken staan, met namen erop van buurtgenoten. Wat is het met die bakblikken vaak fout gegaan. Hele ruzies waren er soms.   De meccanodoos was een vorm van zondagsvermaak.We leefden en warmden ons in de keuken bij een petroleumkachel. Soms had je paar uur gas. Koken ging nog later heel primitief op een petroleumstel of in de kamer op een z.g. noodkacheltje. Maar vaak was het alleen maar brood. Kolen waren op de bon, maar daarnaast ook nog niet aan te komen. Van alles moest er geritseld worden om nog iets brandbaars te hebben. Pa nam af en toe wat lange stokken mee, waar de gummistof opgerold om had gezeten. Die bond hij dan aan de stang van z’n fiets. En wij moesten die klein zagen en in kleine houtjes hakken voor het noodkacheltje. Wat hadden broer Jopie en ik daar toch de pest in. Slecht gekleed ,op die koude waranda, met een botte zaag. Maar ja, Er was geen school en dus moesten we ook wat doen voor de kost. Op een morgen waren alle bomen bij ons in de straat omgezaagd en weggehaald: Voor brandhout!
Ik kom uit een streng protestant gezin. We kerkten aan de plantage Muidergracht in de christelijk gereformeerde kerk. Dat was wel 3 kwartier lopen. Maar daar heb ik niet onder geleden. Pa was een onderhoudende man en goed verteller. 

Kerkdiensten gingen nu onregelmatig. Pa en zonen kwamen een keer ’s avonds uit de kerk en in de van Woustraat zag hij een man in een portiek liggen. Eerst er voorbij en toen toch terug. Man aangesproken en die bleek helemaal uitgehongerd te zijn. Pa vond het zijn christenplicht de man ’s avonds bij ons thuis te laten komen. Ma vond het helemaal niets, want je wist nooit wat je binnenhaalde. Het kon wel een verraaier zijn. Ze heeft wat te eten klaar gemaakt, maar pa moest bij de etende man blijven was de voorwaarde.

 In de Rijnstraat had je de gaarkeuken. Vanuit de overheid ingesteld om burgers van eten te voorzien. Het menu ging dagelijks  van mond tot mond. Meestal was het niet veel soeps en er stonden steevast rijen en er werd altijd slinks voorgedrongen. Ik geloof niet dat wij daar veel gebruik van gemaakt hebben. 8 mei 1945 - Mijn moeder met zussie Ria bij de intochtOns leefgebied was tijdens en na de oorlog niet al te groot. We moesten alles lopen en hadden niet te beste schoenen. Onze step heeft jarenlang met eindeloos geplakte, maar nu lege banden op de overloop gestaan.

Toen de bevrijding! In de aanloop er naar toe een steeds sterkere geruchtenstroom. Alle berichtgeving ging van mond tot mond. Maar eindelijk op 5 mei was het dan zo ver. Mijn broer Jopie werd door m’n ouders losgelaten en is vanaf de Berlagebrug met een legerwagen meegereden tot aan het Valeriusplein. Helaas mocht ik niet alleen en dus ben ik met pa en ma gaan kijken, met zussie in het wandelwagentje.

Onvergetelijk is de herinnering aan het enthousiasme van die dagen. Allerlei mensen, die elkaar nauwelijks kenden vielen elkaar om de hals. Het was eigenlijk niet te geloven!  De mensen kwamen niet uitgejuicht.  

Tegen de bevrijding zag je soms BS’ers op straat. Dat waren mannen met van die blauwe uniformen aan met BS mouwband. Eerst verholen, maar na de bevrijding openlijk. Ze hadden de opdracht in de overgang van het Duitse naar het Nederlands gezag de orde te handhaven. Ook waren ze actief bij het ophalen van NSB’ers. Daar heeft pa nog wat foto’s van genomen:

16

 Ik denk dat de arrestant heeft moeten wachten want de DKW(?) staat met z’n motorkap omhoog. De Hunzestraat met omgehakte bomen. De toren van de RK kerk a/d Rijnstraat is (met vlag) net zichtbaar.

De dagen na de bevrijding hadden de bevrijders  het in beslag genomen Duitse oorlogsmateriaal naar het Scheldeland  (waar nu de RAI staat) gebracht. Kennelijk werd dat slecht bewaakt, want we konden overal in- en aankomen. In allerlei legerwagens gezeten; mitrailleurs , geweren met bajonet;  het lag zo voor de hand. Maar je had niet het lef met zoiets thuis te komen. M’n ouders ‘konden die rotzooi niet zien’ . Helaas een dag later was alles weg.

8 mei 1945 - Noorder AmstellaanAls jongens vonden we het spannend om de BS bezig te zien.  Later werden ook de moffenmeiden opgepakt en  publiekelijk kaal geschoren. Er is toen ook veel onrecht geschied. De echte grote boeven zijn veelal de dans ontsprongen, omdat zij bijtijds wisten dat het voor hen mis ging. Ik kan me nog herinneren dat we als schoolkinderen hebben gezongen op de Dam in het kader van de bevrijding. Met de koningin op het balcon??  Ook hebben we nog zo’n grote plaat gekregen van de stichting ’40-45 t.g.v. de bevrijding.

Daarna zijn er nog straatspelen geweest, maar de echte ‘feest’ stemming was er toch ook al gauw weer uit, want nu was het voor een ieder tijd om je positie te bezien. Èn, er moest weer gewerkt worden. Bovendien was er die ellendige onzekerheid over het lot van zovelen, die opgepakt waren. Over het lot van de joden was een ieder het wel snel eens; die zouden wel niet meer terugkomen. 
Maar hoeveel waren er niet opgepakt voor de arbeitseinsatz . Anderen waren gevlucht. Waarheen?  Tot jaren na de oorlog leefden mensen in spanning of hun dierbare nog leefde!

een foto uit 1945 van ‘Rozenoord’ a/d Amstel. Een fusilladeplaats, waar 140  mensen vermoord zijn.Na de oorlog is m’n pa zelfstandig confectiefabrikant geworden en in 1953 is ons gezin verhuisd naar het Gooi. Ik heb toen al forensend de 4e klas Mulo afgemaakt en daarna de opleiding aan de HTS voor de confectie gevolgd.  Die school was toen heel idyllisch aan de Keizersgracht gevestigd. Later ben ik pa opgevolgd in de zaak in Amsterdam. Steeds forens gebleven. Maar….

Ik ga nog regelmatig een keer terug naar m’n woonbuurt; ik heb er intense herinneringen aan.

Daniël de Zeeuw
12 juni 2012
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.   

  
(red.) De de bevrijdingsfoto's van de heer de Zeeuw zijn ook opgenomen in
onze beeldbank >>


  
  

You have no rights to post comments

Reacties  

 
# Pauline Wesselink 11-09-2012 19:15
Heel beeldend opgeschreven en bijzonder deze herinneringen! Er zijn honderd namen bekend van degenen die bij de fusilladeplaats Rozenoord zijn doodgeschoten, de andere zijn waarschijnlijk niet meer te achterhalen. Ons huis staat op -waar toen de kinderen speelden - 'het grote land' en is in 1952 gebouwd.
 
 
# Ria 11-09-2012 19:08
Ik heb een vraag die ik al jaren wil stellen,maar nooit durfde,Alle mensen die ik tijdens de bevrijdingsfees ten zie,op fotos en oude filmbeelden zien er zo goed uit terwijl de winter er voor de hongerwinter was waar duizenden mensen van honger overleden,hoe kon dat? Ik bedoel niemand op welke foto dan ook is broodmager,zijn alle mensen dan zo snel hersteld?

vriendelijke groet ria
 
 
# Jos 11-09-2012 19:08
@ria Toch zie ik veel magere gezichten op de foto's. Mijn veronderstellin g is dat in Zuid minder slachtoffers door de honger zijn gevallen dan in het centrum van de stad met z'n vele achterbuurten.
mvrgr
Jos