"Glimlachen in Groningen" door Harro van Zijl

<< terug

hoofdmenu

halte.jpg (2820 bytes)

Glimlachen in Groningen

Ze is aantrekkelijker en slanker dan in mijn herinnering en op de digitale foto die in mijn bezit is. Haar stem is zachter dan twee dagen daarvoor door de telefoon.
Het is vrijdagmiddag en ik zit op het terras van het Groninger Museum. Naast mij zit Sonja, jeugdliefde van de Wilhelmina Mulo in Voorburg en we hebben elkaar zo’n veertig jaar niet gezien.
Ik heb een keer eerder haar naam genoemd in de column over “tafel 1”. Maar toen had Schoolbank. nl. ons nog niet via de elektronische snelweg met elkaar in contact gebracht.
 
We hebben twee jaar elkaar brieven geschreven en als ik een uitnodiging krijg om deel te nemen aan een onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Groningen opper ik de mogelijkheid een afspraak te maken. Die suggestie valt in de goede aarde en dus grinniken
we nu regelmatig op het terras. Ze informeert naar het onderzoek.”Hebben ze je pijn gedaan?” Nee hoor.
Voor Sonja heb ik de roman “Zuidelijke Wandelweg” gekocht. In het verleden heeft zij, leerling verpleegkundige aan de VU, een kamer gehuurd boven een paardenslagerij in de Rijnstraat en later gewoond in de Eemsstraat. En dat allemaal in een periode dat ik nog niet eens in Amsterdam woonde. Nu woont ze in Scheemda.

Ze is nog steeds een beetje teleurgesteld dat ik niet aanwezig was op de enige reünie, zo’n vijfentwintig jaar geleden, van de Wilhelmina MULO. Ze was er speciaal heen gegaan om mij te zien. Maar dan gaat het gesprek al snel over de MULO-tijd, de verschillende leraren, de medeleerlingen.
We hebben dezelfde favoriete leraar, de heer Knoester. We herinneren ons allebei nog heel goed de gedichten die hij tijdens Nederlands voorlas. Een kettingrokende man van middelbare leeftijd die ook nog geweldig rood kon aanlopen. We hebben verschrikkelijk veel van hem geleerd. En één grap haalt zij nog wel eens uit. “met een lange IJ; hoe lang? Eén meter, twee meter? Met mijn achternaam ben ik daar al lang mee gestopt.
Ook andere zaken uit heden en verleden komen aan bod. We hebben opvallend veel gemeenschappelijks. In onze brieven was me dat ook al opgevallen.

Ze leest altijd mijn columns en citeert daar soms op verrassende wijze uit. We spreken over de medische perikelen, het is wel cynisch dat jij na je amputatie schrijft op (zuidelijke) wandelweg. Zo veel wandel je niet meer. Over Binky natuurlijk en haar kat Banjer zonder tanden en met suikerziekte. Mevrouw De Cock en de reis naar Zuid-Afrika, zij is eerder dan ik in Zuid-Afrika geweest en we praten over de betekenis van reizen. Mijn werk als taalcoach bij Gilde. Over het wonen in de Alblasstraat en tuinieren. “Tuinieren maakt me eeuwig gelukkig en denk ik aan jouw column daarover”.
 
We genieten allebei met volle teugen en dat gevoel laten we niet afnemen door randdebiele hondeneigenaren, ik dacht altijd een specifiek Amsterdams fenomeen, en gaan elders op het terras zitten.
Via de zeer fraai gerestaureerde stationshal lopen we naar de gereedstaande trein. Op het perron is geen bankje maar knuffelen kan ook zonder bankje. Het afscheid is verstandig en in de trein naar Amsterdam neurie ik mijn favoriete tekst van Harry Jekkers over vriendschap:

“we spreken niets af voor de volgende keer
vriendschap, dat moet lopen ,
we zien elkaar wel weer
nieuwe glazen en de ober lacht”

Harro van Zijl

Reageer: klik hier

<< terug

hoofdmenu