
Glimlachen in Groningen
Ze is aantrekkelijker en slanker dan in mijn herinnering en
op de digitale foto die in mijn bezit is. Haar stem is zachter dan twee dagen daarvoor
door de telefoon.
Het is vrijdagmiddag en ik zit op het terras van het Groninger Museum. Naast mij zit
Sonja, jeugdliefde van de Wilhelmina Mulo in Voorburg en we hebben elkaar zon
veertig jaar niet gezien.
Ik heb een keer eerder haar naam genoemd in de column over tafel 1. Maar toen
had Schoolbank. nl. ons nog niet via de elektronische snelweg met elkaar in contact
gebracht.
We hebben twee jaar elkaar brieven geschreven en als ik een uitnodiging krijg om deel te
nemen aan een onderzoek van het Universitair Medisch Centrum Groningen opper ik de
mogelijkheid een afspraak te maken. Die suggestie valt in de goede aarde en dus grinniken
we nu regelmatig op het terras. Ze informeert naar het onderzoek.Hebben ze je pijn
gedaan? Nee hoor.
Voor Sonja heb ik de roman Zuidelijke Wandelweg gekocht. In het verleden heeft
zij, leerling verpleegkundige aan de VU, een kamer gehuurd boven een paardenslagerij in de
Rijnstraat en later gewoond in de Eemsstraat. En dat allemaal in een periode dat ik nog
niet eens in Amsterdam woonde. Nu woont ze in Scheemda.
 |
Ze is nog steeds een beetje
teleurgesteld dat ik niet aanwezig was op de enige reünie, zon vijfentwintig jaar
geleden, van de Wilhelmina MULO. Ze was er speciaal heen gegaan om mij te zien. Maar dan
gaat het gesprek al snel over de MULO-tijd, de verschillende leraren, de medeleerlingen.
We hebben dezelfde favoriete leraar, de heer Knoester. We herinneren ons allebei nog heel
goed de gedichten die hij tijdens Nederlands voorlas. Een kettingrokende man van
middelbare leeftijd die ook nog geweldig rood kon aanlopen. We hebben verschrikkelijk veel
van hem geleerd. En één grap haalt zij nog wel eens uit. met een lange IJ; hoe
lang? Eén meter, twee meter? Met mijn achternaam ben ik daar al lang mee gestopt.
Ook andere zaken uit heden en verleden komen aan bod. We hebben opvallend veel
gemeenschappelijks. In onze brieven was me dat ook al opgevallen. |
Ze leest altijd mijn columns en citeert daar soms op
verrassende wijze uit. We spreken over de medische perikelen, het is wel cynisch dat jij
na je amputatie schrijft op (zuidelijke) wandelweg. Zo veel wandel je niet meer. Over
Binky natuurlijk en haar kat Banjer zonder tanden en met suikerziekte. Mevrouw De Cock en
de reis naar Zuid-Afrika, zij is eerder dan ik in Zuid-Afrika geweest en we praten over de
betekenis van reizen. Mijn werk als taalcoach bij Gilde. Over het wonen in de Alblasstraat
en tuinieren. Tuinieren maakt me eeuwig gelukkig en denk ik aan jouw column
daarover.
We genieten allebei met volle teugen en dat gevoel laten we niet afnemen door randdebiele
hondeneigenaren, ik dacht altijd een specifiek Amsterdams fenomeen, en gaan elders op het
terras zitten.
Via de zeer fraai gerestaureerde stationshal lopen we naar de gereedstaande trein. Op het
perron is geen bankje maar knuffelen kan ook zonder bankje. Het afscheid is verstandig en
in de trein naar Amsterdam neurie ik mijn favoriete tekst van Harry Jekkers over
vriendschap:
we spreken niets af voor de volgende
keer
vriendschap, dat moet lopen ,
we zien elkaar wel weer
nieuwe glazen en de ober lacht
Harro van Zijl
Reageer: klik hier |