" De trams van mijn jeugd " door Dick Nooy

<< terug

hoofdmenu

 

De trams van mijn jeugd

Mijn vroegste herinneringen aan trams in de Rivierenbuurt betreffen eigenlijk vooral “Grote Mannen.” Al lang voordat het noodzakelijk was mij openbaar te vervoeren had ik ze immers gezien bij de remise Lekstraat, waar m’n grootouders min of meer naast woonden: Grote Mannen, die met zwaar ijzeren gereedschap de wissels omzetten of elkaar toeriepen naar welke ingang koers gezet moest worden, Grote Mannen, die het verkeer uit zijstraten tegenhielden als de colonne rijtuigen de hele Lekstraat bezette en zo snel mogelijk naar binnen gerangeerd moest worden, Grote Mannen die in het koffiehuis tegenover de speeltuin met elkaar boomden, lachten of kaartten. En de Grote Mannen vooral ook, die alleen maar door te kijken er voor zorgden dat je het niet in je hoofd haalde om als piechempie een kijkje ìn die grote, duistere, geheimzinnige en door dit alles uiterst spannende remise te nemen…

Later werd ik dan wel af en toe door mama, oma of een van de vele ooms meegenomen voor een ritje per tram vanaf de Rijnstraat, naar… Tja, dat wist ik toen nog niet zo goed, mijn topografische kennis van Amsterdam was nog zeer gering, iedere bocht of kruising leverde een nieuw, verrassend vergezicht op. En zeker ook de rijtuigen zelf natuurlijk: nog lang niet zo gelikt als de huidige Combino’s, maar ze déden het altijd wel tenminste. En dat open achterbalcon, waar mocht worden gerookt en waar bij iedere halte wel iemand die nèt te laat was mee rende en vervolgens op de rijdende wagen sprong. Of nog gauw een brief in de achterop hangende brievenbus gooide. Die werd namelijk bij aankomst op het station geleegd en bij gebrek aan internet was het van belang je post zo snel mogelijk af te leveren.

In die jongenstijd was de tram voor nòg iets uiterst handig: als je een cent op de rails legde was die even later door de ijzeren wielen omgevormd tot een waar kunstwerk. En als je eens stiekem een trekje aan een sigaret wilde nemen, dan vond je bij een halte altijd wel een weggeworpen, nog brandende peuk. Soms nog een heel grote zelfs: dan had de voormalige eigenaar ‘m net opgestoken voor hij (nee, nooit een zij!) moest instappen.
Maar misschien wel de mooiste herinnering uit die tijd: ik had een vriendin die op de tram werkte. En niet zo maar iemand, nee… Selma van Loggem maar liefst, de Zingende Tramconductrice. Als ik naar het eindpunt van lijn 25 liep, daar waar je al van ver af de tram uit de Hunzestraat zag komen, dan wachtte ik daar (on)geduldig het moment af, dat ik haar zag. Het wachten werd beloond, want door bij haar in te stappen had ik een gratis ritje naar het Centraal Station en terug. Ik had daar niets te zoeken natuurlijk als ventje van 10, maar de reis op zich was al een belevenis. Helaas gebeurde het ook wel eens, dat ik instapte en niet Selma, maar een collega dienst had. Want die vroeg wèl gewoon naar m’n kaartje en dan stond dit ventje met z’n mond vol tanden…
Tja, dat zijn zo maar wat flarden van een jeugd, die ik niet had willen missen.
En dat missen lijkt nu toch te gaan gebeuren vanwege al die toestanden rondom het al dan niet ter beschikking blijven stellen van een goede uitvalsbasis. Natuurlijk moeten alle partijen water bij de wijn doen, dat is duidelijk. Remises van honderden vierkante meters midden in Amsterdam zijn misschien vanwege de kosten wat al te luxe. Maar voorop staat: een tram heeft rails nodig en die liggen er niet in Noord, het voorgestelde alternatief. En hoe komen ze dan bijvoorbeeld bij het Haarlemmermeerstation voor het wekelijkse tochtje naar Amstelveen v.v., waar ik als vader naar m’n zevenjarige zoon keek en me waarachtig zèlf weer even kind voelde…?
Dat we met z’n allen nog maar lang mogen blijven genieten van onze trammetjes!

Dick Nooy

Reageer: Gastenboek

 

<< terug

hoofdmenu