| De
trams van mijn jeugd
Mijn vroegste herinneringen aan trams in de Rivierenbuurt betreffen eigenlijk vooral
Grote Mannen. Al lang voordat het noodzakelijk was mij openbaar te vervoeren
had ik ze immers gezien bij de remise Lekstraat, waar mn grootouders min of meer
naast woonden: Grote Mannen, die met zwaar ijzeren gereedschap de wissels omzetten of
elkaar toeriepen naar welke ingang koers gezet moest worden, Grote Mannen, die het verkeer
uit zijstraten tegenhielden als de colonne rijtuigen de hele Lekstraat bezette en zo snel
mogelijk naar binnen gerangeerd moest worden, Grote Mannen die in het koffiehuis tegenover
de speeltuin met elkaar boomden, lachten of kaartten. En de Grote Mannen vooral ook, die
alleen maar door te kijken er voor zorgden dat je het niet in je hoofd haalde om als
piechempie een kijkje ìn die grote, duistere, geheimzinnige en door dit alles uiterst
spannende remise te nemen

Later werd ik dan wel af en toe door mama, oma of een van de
vele ooms meegenomen voor een ritje per tram vanaf de Rijnstraat, naar
Tja, dat wist
ik toen nog niet zo goed, mijn topografische kennis van Amsterdam was nog zeer gering,
iedere bocht of kruising leverde een nieuw, verrassend vergezicht op. En zeker ook de
rijtuigen zelf natuurlijk: nog lang niet zo gelikt als de huidige Combinos, maar ze
déden het altijd wel tenminste. En dat open achterbalcon, waar mocht worden gerookt en
waar bij iedere halte wel iemand die nèt te laat was mee rende en vervolgens op de
rijdende wagen sprong. Of nog gauw een brief in de achterop hangende brievenbus gooide.
Die werd namelijk bij aankomst op het station geleegd en bij gebrek aan internet was het
van belang je post zo snel mogelijk af te leveren.
In die jongenstijd was de tram voor nòg iets uiterst handig:
als je een cent op de rails legde was die even later door de ijzeren wielen omgevormd tot
een waar kunstwerk. En als je eens stiekem een trekje aan een sigaret wilde nemen, dan
vond je bij een halte altijd wel een weggeworpen, nog brandende peuk. Soms nog een heel
grote zelfs: dan had de voormalige eigenaar m net opgestoken voor hij (nee, nooit
een zij!) moest instappen.
Maar misschien wel de mooiste herinnering uit die tijd: ik had een vriendin die op de tram
werkte. En niet zo maar iemand, nee
Selma van Loggem maar liefst, de Zingende
Tramconductrice. Als ik naar het eindpunt van lijn 25 liep, daar waar je al van ver af de
tram uit de Hunzestraat zag komen, dan wachtte ik daar (on)geduldig het moment af, dat ik
haar zag. Het wachten werd beloond, want door bij haar in te stappen had ik een gratis
ritje naar het Centraal Station en terug. Ik had daar niets te zoeken natuurlijk als
ventje van 10, maar de reis op zich was al een belevenis. Helaas gebeurde het ook wel
eens, dat ik instapte en niet Selma, maar een collega dienst had. Want die vroeg wèl
gewoon naar mn kaartje en dan stond dit ventje met zn mond vol tanden
Tja, dat zijn zo maar wat flarden van een jeugd, die ik niet had willen missen.
En dat missen lijkt nu toch te gaan gebeuren vanwege al die toestanden rondom het al dan
niet ter beschikking blijven stellen van een goede uitvalsbasis. Natuurlijk moeten alle
partijen water bij de wijn doen, dat is duidelijk. Remises van honderden vierkante meters
midden in Amsterdam zijn misschien vanwege de kosten wat al te luxe. Maar voorop staat:
een tram heeft rails nodig en die liggen er niet in Noord, het voorgestelde alternatief.
En hoe komen ze dan bijvoorbeeld bij het Haarlemmermeerstation voor het wekelijkse tochtje
naar Amstelveen v.v., waar ik als vader naar mn zevenjarige zoon keek en me
waarachtig zèlf weer even kind voelde
?
Dat we met zn allen nog maar lang mogen blijven genieten van onze trammetjes!
Dick Nooy
Reageer:
Gastenboek
|