| Woorden uit de Waalstraat
Vragen repetent
Het overkomt me wel, dat er iemand, een
verslaggeefster, een kennis, een relatie vraagt wat ik toch zo bijzonder vind aan de
Rivierenbuurt. Ik antwoord dan: ruimte, en de Amsterdamse School. En dan komt
onvermijdelijk de volgende vraag aanstomen: waarom ben je zo weg van die
architectuur?
Ik sta dan toch wel n beetje met laat ik zeggen de mond halfvol
tanden.
Want wat moet ik antwoorden? Iets over de stijl? De ongelooflijke creativiteit?
Iets over gebouwen en bruggen, die soms bijna-beeldhouwwerken lijken? Of... of...?
Toen ik onlangs de eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel werd, kreeg ik opnieuw
die vragen. En opnieuw had ik nauwelijks een antwoord.
Daar heb ik eens dieper over zitten peinzen. Waarom, enzovoorts?
Ik ben ermee opgegroeid. En schoonheid heeft voor mij iets van gewenning, van
herkenning (hé, ik heb zoiets eerder gezien, maar wat?), van geleerd hebben wat
schoonheid is. Ervaringen, kunsthistorici, musea, kunststromingen lichten ons voor.
Rembrandt is prachtig, maar waarom eigenlijk? De Amsterdamse School is mooi, boekenvol
zeggen het maar waarom vind ik die mooi?
Toen ik op lagereschoolbenen leefde (dat was tot in 1940), woonde ik in een modern
huis aan de Amstelveenscheweg bij zegmaar het latere Bolestein en fietsspeelde ik naar en
van school jarenlang in Randwijck/Laanhorn, van mij uit gezien direct na de Kalfjeslaan
een beetje links: het begin van Amstelveen. Dat is dat welhaast-luxueuze
tuindorp vol indrukwekkende Amsterdamse School (zie architectuur in
amstelveen-noord (Openbare Werken Amstelveen, juni 1995).
Ik ontmoette in die jaren de tijd van ons zoveel mogelijk losmaken van de 19e
eeuw.
Er werden stroomlijn, Dieseltreinen, wasmiddel Diesel, er werd radio met de wereld
in een luidspreker: de Afsluitdijk, de ambulance naar Abessinië, de tocht van de
onderzeeër K XVIII, het goud van de Lutine, de successen van de KLM zoals de
Melbournerace van de Uiver, de Pelikaanvlucht (ik zag op straat zelfs
vlieghelden als Parmentier, Viruly Avyola V. zat in mn klas), het
wegaannaarRome Nederlands voetbalelftal, enz.
Het bruiste ondanks al dat nare ook: crisistijd, stempelaars,
slavenarbeid in het Bosplan de toekomst in, en een jongen is eveneens
gericht op later (`als ik groter word, groter word, dan...). Ik leefde in een blije,
open parallel. En dat alles beleefde ik deels samen met de Amsterdamse School van
Randwijck. Zo wordt architectuur iets van de toekomst!
Na de bevrijding van mei 1945 kwam ik in dat straks terecht. Mn
eerste kamer was in de Maasstraat. Later
werd ik vaste bewoner van de Rivierenbuurt.
En als ik nu fiets door straten om me heen, herken ik in al die Amsterdamse School
dat opwindende gebeuren van mn jeugd. Nostalgie? Nee, schoonheid, dwars door alle
doemdreiging heen.
PS. Toch nog even over doemdreiging
gesproken: mocht u een expeditie naar de Zuidpool voorbereiden, ook al is daar geen
Amsterdame School, stop er dan mee: als over een paar jaartjes alle ijs is weggesmolten,
kunt u er in de auto naar toe, op uw dooie gemak u vermeiend in de fraaie bloemenweiden
aldaar als tenminste de auto c.s. nog niet uitgestorven is.
Karel N.L. Grazell
- Stadsdeeldichter ZuiderAmstel
Reageren?:
Gastenboek |