" Zo nieuw was nieuw nog nooit geweest" door Karel N.L. Grazell

<< terug

hoofdmenu

 

Woorden uit de Waalstraat

Zo nieuw was nieuw nog nooit geweest

Er was een korte tijd dat ik vaak in Ootmarsum kwam (ruim ‘n jaar woonden we ‘verderop’). Ik werkte nu en dan voor de gemeente (freelance reclame: men wilde meer toerisme) en we leerden er veel mensen kennen. Zo kwamen we in contact met veel van de oeroude tradities van het stadje. Zoals het vlöggel’n, het paosstaok haol’n, de brulftneugers, de kolde karmis en méér. De komst van het nieuwe jaar (in ons geval 1967) was ook heel apart: op oudejaarsavond gingen alle cafés dicht (er waren er zeker 30 op een bevolking van ruim 3000, meent m’n geheugen). De inwoners verzamelden zich op het Kerkplein en wachtten daar op de slag van twaalf. Toen deze viel, ging de stadsomroeper rond om het nije jaor luidkeels aan te kondigen. Vervolgens openden de cafés weer en ieder had recht op twee gratis consumpties per café. De mensen stróómden...
Dat was heel anders dan in het naoorlogse Amsterdam. Toen gingen alle cafés dicht op oudejaarsavond en ze openden bijna allemaal pas weer op 2 januari. Het was triest in de koude straten: iedereen die een thuis had of vrienden met een thuis, zat binnen. Alleen wat kamerbewoners, die geen thuis hadden, nergens een feest wisten, en op een kleine zolder- of zijkamer (vaak zonder kachel) woonden, liepen door de stad, hopend op een kennis, een tňch open café.
Mijn ex was in Amsterdam geboren, maar goeddeels in Oost-Indië opgevoed. We vierden thuis. Ik maakte Bisschopswijn (met 1, 2 of 3 s-sen), er was fris voor de kinderen die later op de avonden werden gewekt, we keken naar TV (kluitjekijken was een nieuw communicatiemiddel in de maatschappij geworden), tegen twaalven werden de katten tegen het naderend lawijt in de badkamer opgesloten, en mijn vrouw deed alle lampen in het huis aan – dat schrikte de geesten af, die niet meer wisten waar ze het zoeken moesten toen het vuurwerk losbarstte.
Dat lawaai was voor mij altijd een herhaling van WO II, vooral van die oudejaarsnacht in die hongerwinter die m’n uitzicht was over een sneeuwwitte Binnendijksche Buitenveldersche Polder. Het vuurwerk kwam toen tot muurscheurens toe van het Flak op het botenhuis van de Bosbaan (150 meter van onze oren verwijderd, schat ik). Er schoten voortdurend zoeklichtstralen naar de geallieerde vliegtuigen, die een hemelgrote paraplu van gebrom vormden. Achter de horizon weerlichtte nog veel meer geschut. Ik zat op een fiets te trappen, die een ‘opgetild’ achterwiel had, waaraan de dynamo zat: zo hadden we nog wat licht op fietslampsterkte. We stookten een noodkacheltje, van een verfblik gemaakt. We aten koekjes van suikerbiet met wat aardappel gemengd, we proostten met mager water uit wijnglazen. Op de Bevrijding, zeiden we.
Nu. in de Waalstraat: ik zit alleen, ik wil oudejaar niet vieren, en ik vlucht om 24.00 uur naar de achterkamer, waar het een klein beetje stiller is, en doe oordopjes in als het Grote Geweld m’n wereld in schiet.
Zoals ik een tiental jaren geleden in m’n boek Kijk Mensen! schreef:

De muren van de nacht waren behangen met sterren en stilte, en ergens éénoogde een kazige, milde maan. Maar een twee minuten voor Nieuwjaarsdag sprongen er ineens oorkrakers als doodkrakende dieren over het asfalt: een geluid vol bloeddorst ramde tegen m’n ramen. (...)
Schrik en angst pakten me aan. Als vleeseters! Als ikvreters! Ik vluchtte naar de achterkamer. M’n bloed pompte sneller dan de twaalf slagen, m’n lichaam trilde als een gevangen konijn. Ik werd slaaf. Ik werd slachtoffer. Leven stortte in. En ik hoorde hoe de oorlog begon. Oorlog tussen wie? Ik wist het niet: oorlog is groter dan de mens.
Een stortvloed van stuiters (of waren het kogels?) kwam op een metalen straat terecht. Schichtig als in paniek fliststen hellichte zevenklappers heen en weer tussen de gevels. Gillen vlogen naar de hemel toe. ’n Staaf beukte op onze auto’s: ijzeren geluid. Bommen werden omhooggeslingerd en explodeerden ruig tegen de muren van de nacht. De sterren vielen achter de huizen, de maan werd uiteengescheurd en stierf. Ik hoorde een gigantische rubberen hamer slaan op het dak van de nacht: het heelal, m’n huis ook, trilde van de slagen en na elke klap hoorde je flarden lucht wegzuigen.
De oorlog braakte over me heen... braakte zich uiteindelijk leeg.

Dit jaar was het wat erger. De hiertelandse mensheid had toestemming zwaarder lawijt te kopen. De verslaafde heeft steeds sterker prikkels nodig. En kijk eens aan: toen ik de volgende ochtend slaperig uit m’n raam keek, waren de geesten nog méér verdwenen dan in vorige jaren. Zo nieuw was nieuw nog nooit geweest...
P.S. In m’n column Hoe verkeerd kan het verkeer zijn? had ik het over het kruispunt Rooseveltlaan/Waalstraat. De veiligheid is daar intussen heel wat verbeterd: er zijn verkeersdrempels gemaakt en zebrapaden aangelegd.

* vlöggel’n: met Pasen hand in hand door het stadje gaan, zingend Christus is opgestanden * paosstaok: hout voor de paasvuren * brulftneugers: twee mannen in klederdracht, die ieder gezin voor een huwelijksfeest uitnodigen * kolde karmis: laatste kermis van het jaar * Flak: Flugzeug Luft Abwehr Kannone

Karel N.L. Grazell - Stadsdeeldichter ZuiderAmstel
 

Reageren?: Gastenboek

<< terug

hoofdmenu

Bezoekersteller