" Het oog op poëgogie en schooldicht" door Karel N.L. Grazell

<< terug

hoofdmenu

 

Woorden uit de Waalstraat

Het oog op poëgogie en schooldicht
(eigenlijk een oproep aan het onderwijs)

’n Collega, ontwerper, vertelde me dat hij een gedicht van me had gezien op de TV. Het had volgens hem iets te maken met deuren.
Het gedicht thuisbrengen was niet zo moeilijk. Maar het ging niet over deuren.
M'n collega was met z'n ogen over een spatie gesprongen. In plaats van de uren had hij deuren gelezen.
Het gedicht is oorspronkelijk zo:

De uren verhuizen/stuk voor stuk en/de dagen gaan/in andere steden wonen.
Achter de/horizon winnen zij/het pleit.

Maar als de eerste regel wordt: Deuren verhuizen, dan krijgt het gedicht een andere (en ook een beetje vreemde) inhoud. Of er wel of niet een spatie staat, is een vormkwestie - maar de vorm tast wel de inhoud aan.
Vorm kan ook door heel andere instrumenten van invloed zijn op de inhoud. Bijvoorbeeld door de woordvolgorde. Op een Mars reep staat: Gevulde melk-chocolade met caramel. Maak ervan: Met caramel gevulde melk-chocolade en het betekent heel wat anders.
Zo zijn er natuurlijk duizenden manieren om via vorm de inhoud te veranderen, zelfs te verpletteren. Vorm is gevaarlijk.
Veel schrijvers verwacht(t)en ook dat ze via vorm wel tot inhoud zullen komen. Het hoe bepaalt het wat.
Zo zou men inderdaad met Albert Verwey kunnen zeggen: ik ben gestemd om een sonnet te maken. Ge zet u achter het cylinderbureau, ge vat de pen in den rechterhand, doopt deze in den Biedermeier inktpot en welaan, ge schrijft een sonnet. De inhoud, eilieve, treedt vanzelf bij Ued. binnen. Voorwaar! Ik heb eens gehoord over een meisje dat een kamer huurde en deze voor haar èn een kind meubileerde. Maar een kind had ze nog niet en een man die het zou gaan verwekken, evenmin. Pas toen ze helemaal gesetteld was, ging ze op zoek naar de vader in spe.
Carel Vosmaer formuleerde dat vorm en inhoud één zijn. We hoeven dat echter niet te accepteren: de kamer is er, maar de man zit in de kroeg en heeft geen zin. Nu is inhoud ook wel een probleem. Wie bij Hans Lodeizen leest: o mijn vriend, deze wereld is niet de echte, denkt wellicht aan Plato of Bergson en antwoordt: o mijn vriend, dat was al bekend.
De Prediker zegt: er is niets nieuws onder de zon. Maar ja, wat voor afwisseling heeft een Prediker in een eindeloos eentonige woestijn?
Kijk, zo ontstaat de aanbidding van de gouden vorm. Men doet te weinig met z'n talent. Men wordt nooit een oasis de pureté.
Het vormprobleem moeten we dus vermijden. Door net zolang te oefenen tot het hanteren van een vorm een automatisme is geworden. Of door de vorm niet zo belangrijk te vinden, Wie poëzie schrijft, doet dat als de kleinst mogelijke minderheid ter wereld: die van één mens. Zo iemand kan zichzelf een briefing geven en schrijft een gedicht: bepaalt zelf wat de inhoud is - en wat poëzie is. En als dan bovendien de vorm van ondergeschikt belang is, moet toch in feite iedereen poëzie kunnen schrijven.
Poëzie mag ook best een beetje primitief zijn. Wie schreef: Van dichten comt
mi cleine bate. Die lieden raden mi dat ict late, schreef regels die nu mooi zijn. Maar wellicht klonken ze in de oren van tijdgenoten net zo ongeveer als:
Dichten brengt geen euro’s op, de mensen willen da'k ermee stop, voor onze oren.
Onderwerpen voor poëzie zijn er genoeg. Een personeelsprobleem: Ik ben Brahman en we zitten zonder meid. Of misschien vindt de dichter wel dat zijn moeder een grijze vrijdagmorgen is.
We kunnen beginnen met de kinderen op school. Geef ze 'n half uur per week de..tijd een gedicht te schrijven. Ongedwongen. Ongeregisseerd. Met serieuze poëzievoorbeelden en geen rijmen voor kinderen. Zonder vragen, zonder uitleg: ze hoeven de voorbeelden niet te begrijpen, maar gewoon over zich heen te laten komen.
Zo'n half uur voor kinderen heeft veel voordelen. Het zou veel meer mensen ‘in’ maken voor poëzie. Het zou leiden tot een vrijetijdsbesteding die heel wat beter is dan TV-turen, recreatief winkelen of scheidsrechters molesteren. Het zou de creativiteit bevorderen en daaraan is tegenwoordig grote behoefte. En het zou een directe, emotierijke relatie creëren tussen ding, daad, gedachte enerzijds en woord, zin, metafoor, spatie anderzijds.
Ik stel voor om deze nieuwe manier van lesgeven poëgogie te noemen voor de gogen en voor alle anderen schooldicht (en dit laatste in beide betekenissen van het woord).

‘Men’ verwacht van mij dat ik als stadsdeeldichter de poëzie in ons stadsdeel promoot, ook bij het onderwijs. Vandaar bovenstaande: in het kader van

ZuiderAmstel, stadsdeel vol van poëzie.

P.S. Noch de CPNB, noch het Letterkundig Museum, noch de gemeente Amsterdam
reageerde op m’n vorige column. Dat komt dus nog?

Karel N.L. Grazell - eerste Stadsdeeldichter ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam
 

Reageren?: Gastenboek

<< terug

hoofdmenu

Bezoekersteller