" ik zie geen Morgenster opdagen" door Karel N.L. Grazell

<< terug

hoofdmenu

Woorden uit de Waalstraat

ik zie geen Morgenster opdagen

Enkele weken geleden kreeg ik van het stadsdeel een brief in de bus – net als vele andere bewoners. Er werd nogal wat vuilnis naast de stortkokers gedeponeerd als het er niet in kon. Er zou stevig gecontroleerd worden en beboet. Ik was vol begrip.
Toch dacht ik met een zekere weemoed terug aan vééélvroeger dagen, toen wat je kwijt wilde nog bij de boom kon worden gezet.
Ik herinnerde me de Morgenster (een begrip dat ooit in naoorlogse tijd algemeen bekend werd door een Nederlandse film), en ook aan die vele navolgers die niet alleen in de ochtend, maar ook op andere tijden van de dag het gepresenteerde vuilnis doorzochten op achtergelaten interessante zaken.
Zo kwam bij mij lang geleden elke week als ‘leerling’ een disc jockey van een radiozender, en hij kwam nooit per openbaar of ander vervoer, maar altijd wandelend: hij kon dan speuren bij de bomen, want hij verzamelde 45toerenplaatjes. Ikzelf vond prachtige antiquarische boeken, ik bezit zelfs nog een doos, bij een boom aangetroffen, met alle brieven, visitekaartjes en zo betreffende een huwelijk van voor de oorlog – de epistels op schitterend ouderwets briefpapier van onder meer allerlei bekende fabrikanten (en zelfs kwam ik in die doos schrijfsels tegen van de zo omstreden ‘priesterschrijver’ Wouter Lutkie)
Wie verhuist, kijkt eerst altijd wat weg kan.
Ik ook.
Er zijn allerlei dingen die ik ooit heb aangeschaft, maar die ik eigenlijk niet nodig heb en die weg kunnen.
In langgeleden, gedogende tijden zette je zulks een uurtje voordat de vuilniswagen langskwam, bij de boom en het was in een mum tijd verdwenen. Het leek wel alsof de Morgenster of een van z’n collega’s erop stond te wachten. Edoch, dat kan en mag niet meer, het gaat met het grof vuil mee. Geen continuering meer van het gebruik – hoewel alles nog in goeie staat verkeert, en iemand het nog goed zou kunnen gebruiken.
Tsja…
Er is op internet een wonderlijke internationale organisatie te vinden, die zich op haar gebied niets aantrekt van opruimregels (de naam schiet me op dit moment helaas niet te binnen). Hun idee is dat je soms hier, soms daar eens een boek te geef, te lees legt – zomaar in een vensterbank, of in een nis, of wat dan ook voor openbaars. ’n Ander vindt dan dat boek, mogen we hopen, en neemt het mee om te lezen. En zo vervolgens.
Ikzelf heb nog nooit zo’n boek gevonden, maar het schijnt dat het idee ook in Nederland steeds meer succes ‘boekt’.

OPROEP
AAN DE
AMSTERDAMSE STADSDEELDICHTERS:


Kunnen we niet met elkaar in contact treden, via e-mail bijvoorbeeld, om ik noem maar wat, tot uitwisseling van ideeën, ervaringen of tot gezamenlijke activiteiten te komen (zo is Amsterdam door de Unesco voor volgend jaar tot Wereldboekenstad verheven en dan denk je toch meteen aan de speciaal over onze stad schrijvende dichters: de stadsdeeldichters!)?

PS: m’n eerder gepubliceerde column Verzen heeft er een vertaling in het Engels bij gekregen: van Bep Gomperts, die in Melbourne werkt bij het Holocaust Museum & Research Centre.

PSPS. Het Letterkundig Museum, de CPNB, de gemeente Amsterdam, ze hebben nog steeds niet gereageerd op m’n hiergepubliceerde en hun toegezonden column inzake aandacht aan het fenomeen stadsdeeldichter.
Ik heb ook aan andere instellingen e.d. mailings gezonden, met stadsdeeldichtvragen of met -suggesties, zelfs aan kerkelijke.
Maar reageren? Nauwelijks. Men sluit zich kennelijk in de eigen cocon op (maar of je zo een mooie vlinder wordt?).
Hoe ver is het met de beleefdheid gekomen? Bij het grof vuil gedaan?

Karel N.L. Grazell

Reageren?: Gastenboek

<< terug

hoofdmenu

Bezoekersteller