"De buurt is me lief,maar soms is ’t er wel eens negatief" door Karel N.L. Grazell

<< terug

hoofdmenu

 

 
De buurt is me lief, maar soms is ’t er wel eens negatief

Twee van z’n buurvrouwen gingen tegelijk hun voordeuren uit, het voorjaar in. Hijzelf kwam net aanlopen. Goedemiddag, zei hij vrolijk. Maar z’n woorden bleven onbeantwoord hangen in het snel lege portiek.
 
De kleine buurtwinkel stond prop met mensen: ze kon er nog net bij. Ze wachtte, ze wachtte, haar oude benen deden er zeer van, en toen mocht ze: graag een pak sinaasappelsap – het was het enige dat ze nodig had. De bedienende dame vroeg aan de baas: hoeveel kost dit pak? De man haalde z’n schouders op, keek naar z’n klanten die met hun oude benen nergens ander naartoe konden lopen, en zei: drie gulden. Ze protesteerde: ergens anders is het nog niet de helft. Nou, dan gaat u daar toch naar toe, antwoordde de baas vanuit z’n macht als enige winkel in de buurt. Maar ja, dat was een kwartier lopen heen en dito terug. Ze voelde haar benen en betaalde maar. Zo sterft een buurtwinkel op den duur. Doodsoorzaak: gruttergraaien?
 
Het lege huis stonk naar sigarettenrook van de buren, werd dus uitgelucht: alle ramen tegen elkaar open. Tja, is veel te moeilijk om te repareren. De nieuwe bewoners zullen straks (onwetend?) in een huis terecht komen dat hen laat meeroken. En zet ‘s winters maar eens alle ramen tegen elkaar open.
 
De doctorandus wist nog een plaats te vinden voor z’n 1 op 4 Four Wheel Drive en wandelde het gebouw binnen, waar hij een lezing zou geven over het milieu – in verband met bomendag of zoiets. Ik wed 1 op 4 dat hij dag in, dag uit met z’n Four Wheel Drive overal in den lande het milieu verkende…
 
De oude dame schrok op straat. Ineens hoorde ze naast zich een luide stem die zei: héééj, die Sjaantje, hoe gaat het met je meid. De oude dame realiseerde zich: mobiele telefoon. Ze dacht: als je vroeger hardop in jezelf pratend op straat liep, lachten de mensen je uit, je was een zonderling, misschien werd je zelfs wel opgenomen in een gesticht. Nu bestaat de wereld bijna uitsluitend uit zonderlingen.
 
De auto stopte op twee parkeerplaatsen tegelijk. Er werd uitgestapt. De dame die daar ook haar auto wilde wegzetten, voelde zich onterecht teveel, draaide het portierraampje open: kunt u uw auto even…? De corpulente man die achter het stuur was weggerold, zei: dame, als u wat tegen m’n parkeren heb, gaat u maar verhuizen.
Een soortgelijk verhaal. In een commissie zat een man met z’n pet op. Er werd besproken of een bepaalde verandering wel geaccepteerd zou worden door de bewoners van een straat. Hij kreeg van de voorzitter het woord: asse uttur niet meej eens benne, dan motte se maor verhuise.
 
De man schreef een klein briefje aan z’n buurman of die zich ’s avonds laat een beetje wilde inhouden met z’n hardop cd-spelen. Er kwam een briefje terug: meneer moest weten dat hij in een stad woonde en dus moest hij zich maar aanpassen.
 
Die nacht werd hij wakker van het geluid dat door z’n open zomerraam naar binnen kwam. Hij dacht mistroostig: hoe luid durft Eine kleine Nachtmusik zich hiphoppend door de onrustig slapende straten te bewegen? Van een uitkering kun je lang uitslapen…
 
De binnenmuur tussen de woningen ging, vertelde een kennis, zo’n paar maal in de week
’s nachts bijna heen en weer. Er kreunde en steunde. En een burenbed stampte alsof er een bouwvakker werd geconcipieerd.
 
Er stond die zaterdagmiddag een kleine file bij het benzinestation. Een blauw busje trok zich daar niets van aan, schoof dreigend vóór. Toen de bestelwagen was bevredigd en wegreed, riep een man vanuit de file een protest. De busser riep terug: wat hei-je, ik mot werreke, jij sit in de aa-oo-wei-j.
De protesteerder was wel vroeg grijs, maar toch nog geen vijftig…
 
Het postkantoor ging om negen uur open. Om kwart vóór stond de oudere dame er al, als enige te wachten. Toen het scherm omhoog ging, kwam er net een vrouw van in de veertig aanlopen, drong haar weg en greep naar het eerste volgnummertje. Dame verbouwereerde.
‘n Meneer en ’n andere mevrouw kregen zo de kans nummer twee en nummer drie te worden. De dame protesteerde tegen de eerste vrouw. Die draaide zich zowaar naar haar om: m’n machines staan te draaien, mevrouw, ik heb haast.
 
Het meisje leek erg slaperig. Ze zei desgevraagd dat ze ’s nachts vaak uit de slaap werd gehaald door het toilet in de woning naast haar: daar woonden een stuk of vijf mensen en die gingen natuurlijk naar de wc ’s nachts en ze werd vaak wakker van al dat plassen, kreunen en de hard dichtslaande deur van het toilet.
 
De benedenbuurman had tegen hem gezegd: als u ’s nachts last van m’n lawaai hebt, belt u dan even. Die nacht was het zwaar: hij belde. Even later stond z’n buurman dronken en onder de pillen tegen z’n deur te trappen: kankerlijder, ik krijg je wel te pakken, ik vermoord je. De deur hield het.

Karel N.L. Grazell
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam

Reageren?: Gastenboek

<< terug

hoofdmenu

Bezoekersteller