
Dag gedichtendag 2008
Lang geleden in omroeprijk Hilversum
Een TV-regisseur wilde een uitzending maken over dichten. Maar
dan zoals de Fransen hadden gedaan. En hij vroeg mij of ik het
programma wilde schrijven.
Het begon met een film die uit Parijs naar de betreffende
omroepvereniging kwam gevlogen.
Daar moest ik eerst maar eens naar kijken.
Ik zat in m’n eentje in de vrij grote projectiezaal van de
studio in een randwijk van Hilversum. De TV-regisseur stond bij
het projectieappatraat dat door een meisje, dochter van Dolf
Metropole Orkest van der Linden werd bediend.
Het was een film van bijna een uur en een merkwaardige, hoogst
merkwaardige film, om met de Schaduw van Havank te spreken.
Ik herinner me er niet zoveel meer van. Hij bestond uit losse
scènes. De eerste was een boksring. Daarin twee boksers met elk
een sparringhelm op. De vuisten bonkten en ploften in een razend
ritme. De mannen zweetten en hijgden. Tenslotte kreeg een van de
twee een zodanige klap dat hij tegen de touwen belandde. Hij
hees zich omhoog en, half hangend over het touw, zei hij zwaar
ademend een gedicht op.
Zukke scènes dus.
Thuis ging ik aan het denken. Er waren eerst ideeën nodig. Ik
bedacht een wat uitleggende film, uitleggend wat poëzie is.
De start: een horizonloze studio. M’n dochtertje van drie jaar,
heel welbespraakt, zou vanuit een close-up van haar achterhoofd
langzaam naar de verte lopen. Ze had een enorme beer bij zich,
die van haar een uitgebreid, ruzieachtig standje kreeg. De film
zou heten: wij hebben woorden, en de dubbele betekenis van die
titel zou de rode lijn worden.
Een andere scène zou met Henk Hasebos gebeuren, bedacht ik. In
die tijd was de Amsterdamse tramconducteur nog een humordier en
er waren nog trambalkons.
Het zou een improvisatie zijn, met verstopte camera. De
tramconducteur zou een halte afroepen: Albert in de kuip. En
Henk, een professioneel acteur uit de sfeer van het volkstoneel,
zou reageren. En zo vervolgens. Amsterdamse humor, en heel
beeldend. Zo zou het beeld, vaak een belangrijk element in de
poëzie, worden geïntroduceerd.
Enzovoort, enzovoort. De film zou eindigen met een werkje van
Gerrit Achterberg.
Het was dagenlang bedenktijd.
En op zo’n bezwangerde dag arriveerde een bericht van de
regisseur: het ging niet door, want in de gereserveerde zendtijd
kwam plotseling iets heel anders. De omroepvereniging had beslag
weten te leggen op een speciaal programma en dat moest de lucht
in.
M’n poëzieprogramma viel weg. De gedichten zouden overstemd
worden door het trompetteren van circusolifanten, het galopperen
van gedresseerde paarden, de schreeuwgrappen van clowns.
Het circus zou ratelen op het TV-scherm.
Leuk voor het circus. Leuk voor wie van circus hield. Helaas
voor de gedichten. Helaas voor mij.
Ik stuurde een rekening aan de omroepvereniging. De TV-regisseur
kwam met de mededeling dat die niet zou worden betaald. Ik had,
zei men, niet voldaan aan de opdracht: het schrijven van
teksten.
Klopt, reageerde ik, maar ik moest eerst ideeën bedenken voordat
ik teksten kon gaan schrijven.
Ideeën, zei men bij de omroep, ideeën? Die kon men zelf wel
bedenken.
Later kreeg ik van de TV-regisseur ter compensatie een andere
opdracht. Die werd wèl betaald. Op de aftiteling, tussen
Tchernia en Aznavour, zag Nederland m’n naam staan. Maar daarmee
was wat ongelukkig gejongleerd: hij was met slechts één l
gespeld.
en nu naar NU
Op 31 januari was het gedichtendag in de wereld. Als
stadsdeeldichter van ZuiderAmstel wilde ook ik daar wat aan
doen. Speciaal rond de flats aan Bolestein werd ruchtbaarheid
aan m’n plan gegeven: op posters, op internet. Ik zou wat
gedichten voorlezen en wat vertellen over m’n langgeleden jeugd
aan de Amstelveenseweg, juist daar waar Bolestein was gebouwd.
Als speciale gast zou de grijze stadsdeeldichter van Osdorp, Wim
Moerenhout, er eveneens komen voorlezen.
Er kwamen acht mensen. Waarvan vier uit Bolestein.
Even dacht ik: zou er (weer) een circus in de buurt zijn?
Maar nee.
PS. Zojuist is door een wethouder, die wet
houdt in de binnenstad, een dichter geïnstalleerd om de grote
daden van het betreffende stadsdeelbestuur te bezingen. Met alle
showzieke arrogantie, alle belachelijk machtsvertoon, werd
medegedeeld dat het hier niet om een stadsdeeldichter ging, maar
om de stadsdichter van Amsterdam.
Het geheel dus zonder deel.
Wat zou het centraal bestuur van de stad hiervan vinden? En de
even weggedrukte stadsdeelbesturen? Die zullen zich vast geen
zorgen maken: het circus kwam gewoon voorbij…
De door stadsdeel Binnenstad benoemde dichter, Robert Anker
–zowel zijn als mijn werk werd ooit door dezelfde pers gedrukt –
is aan zulk misplaatst jongleren met taal ongetwijfeld volstrekt
onschuldig.
Karel N.L. Grazell
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam
Reageren?:
Gastenboek |