Column Karel N.L. Grazell

<< terug

hoofdmenu

 

 
Rivierenbuurt en ander Amsterdam
EEN ZOMERS REISJE LANGS WAT AMSTERDAMSE SCHOOL

Er was nogal veel zonlicht in de lucht. Ruud Braggaar en ik zaten in een ei van warmte, met het minimum aan zuurstof dat we nodig hadden. Per z'n Audi auto begonnen we de middag door naar de Maasstraat van de Amsterdamsche School te rijden: het winkelcentrum dat enkele jaren geleden zo droevig werd heringericht en bij mij de naam van Winkelcentrum Kaalslag ging dragen. De vertrouwde kleuren van de gevels, de driehoeken van steen, ze waren er nog, maar de bomen en struiken waren bijna ganselijk geruimd. M'n plan aan Ruud het kunstwerk te tonen dat door het hele centrum stroomde en praktisch door niemand werd opgemerkt: een breed, slingerend pad van voetstaplange stenen scherven, waarop vissen stonden afgebeeld, viel in het water - maar ach, we waren ook in de Rivierenbuurt.

We hadden door de Roerstraat gezoemd, waar Anne Frank ooit dikwijls liep op weg naar de Oase snackbar (die nog steeds bestaat) en naar haar school (die ook nog steeds bestaat en een gevel heeft die betekst is met haar nagelaten woorden). Door de Diepenbrockstraat (die zo mooi is als de muziek van deze componist: wenn ich ihn nur habe...) verlieten we - het Beatrixpark, de kapel van de Maria verschijning (die overigens elders in de buurt plaatsvond) en het huis van Duisenberg passerend - de Rivierenbuurt.

We kwamen op de Muzenbrug die de al bijna duizend jaar oude Boerenwetering en het 20e eeuwse Zuideramstelkanaal oversteekt.
Het Zuideramstelkanaal (ja, er is ook een Noorder-: dat kruisten we toen we naar de Harmoniehof trokken: het Plan Zuid van Berlage was tweebenig) is rond m'n geboortejaar gegraven en bestond tot na de Tweede Wereldoorlog vooral uit water en zand ernaast, waar ik als op een strand kon spelen. 'n Oase van stilte, op enkele gedachten afstands van de drukke Roelof Hartstraat, annex Ceintuurbaan, maakte het zonlicht van de Harmoniehof dat met lage woningen een luxueus aangelegde tuin van diepgekleurd en zomerrijp groen en groen omarmde. Een oude vrouw veegde het trottoir voor haar huis zondags rein en vertelde dat haar man, al negentig, de vorige avond was gevallen en dat zij beiden de hele nacht in het ziekenhuis hadden doorgebracht.

Toen ik vroeg hoe het met hem was, leek het dat ze me niet hoefde te horen: ze veegde door, ze had onder druk van haar omstandigheden genoeg gezegd, haar emoties voldoende gecollectiveerd. Ik voelde me even tot een willekeurig iemand gesmolten.
Huize Lydia op het Roelof Hartplein straalde veel meer leven uit dan toen het tijdens de bezetting van '40 tot '45, terwijl ik aan de overkant op de HBS leerde en leed, een grote meute moffische meiden bevatte: in grauwe uniformen, waardoor ze haast niet van het asfalt op het plein waren te onderscheiden, al hun militante germaanse vruchtbaarheid gecamoufleerd.
Omdat gevelwanden - het geïndustrialiseerde woonmassaproduct - het gevaar van een te grote eentonigheid liepen, hadden architecten onder meer scheepswanden en Oost-indische gemeenschapshuizen als voorbeeld genomen. Staal bijvoorbeeld (die ook de wolkenkrabber bouwde) had de J.M. Coenenstraat een lang schip gegeven met aan het eind gestileerde golven, en stoomloze funnels (echter hier geen schoorstenen, maar toegangshuisjes) op het dak.

In de Cliostraat, een zijstraat van de Beethoven, trachtte Ruud een foto te maken van de Openluchtschool van Duiker, maar er was slechts halftoegang voor z'n camera. Vervolgens gingen we naar de plek waar Gerrit van der Veen (van de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister in 1943, waarvoor Nijhoff nog het explosievenplan maakte) was neergeschoten door de Duitsers. Ik vertelde hoe chirurg Knapper hem had verzorgd en hoe Koos Frielink (van de latere literaire salon Frielink in de Valeriusstraat, waar ik ook enkele malen optrad in een programma samen met resp. Lucebert en Jan Hanlo) de gewonde verder had verzorgd.
We reden langs de Bosbaan (die ik nog heb zien graven door een soort dwangarbeiders), langs de Ringvaart, naar de Molen van Sloten, waar de molenaar me nog herkende en zelfs m'n naam goed uitsprak. Ik poseerde er voor m' n tekst in de gedenksteen: ‘ik maal niet om de olie of het graan/ik til heel wat water uit de stad vandaan/de wind valt in m’n wieken als een valk:/ik kan de jaren van m’n toekomst aan’. We wandelden een stukje van het dorp Sloten in (Amsterdam bestaat deels uit vele oude of niet-zo-oude dorpen: Durgerdam, Ransdorp, Zunderdorp, Holysloot, Schellingwoude, Nieuwendam, Buiksloot, Oostzanerwerf, Ruigoord, Osdorp, Sloten, het verdwenen Nieuwerkerk, het verdwenen Amsteldorp, Betondorp, Merwededorp, Driemond en misschien nog wel meer). We zagen een oud huis met gepensioneerde leibomen ervoor, we stonden bij het ooite cachot, dat later de kleinste tweedehandsboekhandel werd. Er stond een oude brandweermelder niets anders te doen dan rood en nostalgisch te zijn. Daarna reden we naar de Spaarnwouderbuurt, een beetje op de tast, want in de 6, 7 jaar dat ik niet meer autorijd, is er veel veranderd. Zo zag ik hoe een stuk Bosch en Lommer was verkeerd (verkeerd?) in hoge kale nieuwbouw. We parkeerden in de Hembrugstraat en wandelden het Zaanhof in van Michel de Klerk. Het had iets middeleeuws en iets Engels. Alweer een oase van rust, niet zozeer nog in de bekende stijl van De Klerk, meer van na wereldoorlog I. We pauzeerden er even tussen de bomen om de sfeer te pakken.

Vervolgens trokken we om Het Schip heen (dat ik meer een enorme taart vind: hoe kan zoveel zwaarte op zulke weke bodem staan). Ook hier weer: schip (net als bijvoorbeeld de huizen van De Klerk heten op het Henriëtte Ronner- en 'tweeling'plein). We zagen nog zo'n oude krantenkiosk van voor en na de oorlog. Sinds enkele weken was Museum Het Schip geopend. Het bestond uit twee gedeelten: het postkantoor en aan de andere kant van 'de taart' een woonhuis. Het postkantoor was een groot wonder in wondermooie vormen en wondermooie kleuren. Alles was ontworpen door De Klerk: de loketten, de spreekcel, de telefooncel (met dubbele deur), het toilet, de letters, de cijfers. Jammer dat er zoveel ruimte nu bleek besteed aan de verkoop van boeken en aan Apple monitoren (er was zelfs een film van Joost de Klerk, zei men, maar nee): zo hadden we meer fantasie nodig om ons het oorspronkelijke voor te stellen, meende ik, en dat konden we ook wel elders. We gingen dan ook redelijk vlug al naar het ingerichte woonhuis.
Beneden was het als levend interieur ingericht, boven was het meer expositie: foto's, tekeningen, en waarom er schelpen van Wijdeveld (oom van 'mijn' beeldhouwster Charlotte Köhler) waren, was me niet duidelijk. Beneden zaten we aan de huiskamertafel: we keken naar de radio die een onderdeel miste en als zodanig dus nog moest stammen uit de tijd dat er nog geen radio was, naar de spiegel boven de schoorsteen met worteldoekse achtergrond, naar een dressoir (er was ook eigenlijk te weinig ruimte voor een buffet). We voelden er ons wonderwel in alles thuis. Het was alsof we bij onszelf op bezoek waren: in vroeger, een complete verjongingskuur. Zelfs toen we veel later, uit het warme ei gebroken, door de zomerse dikte in de lucht weer mijn Waalstraatse huis betraden, was m'n woning een vreemde voor me: ik zat nog helemaal in jaren terug. Het was een magisch-achtige zondagmiddag in volstrekt andere tijden. Ik was zo’n 70 jaar jonger geweest.

Karel N.L. Grazell -
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam

Reageren?: Gastenboek

<< terug

hoofdmenu

Bezoekersteller