
Rivierenbuurt en ander Amsterdam
EEN ZOMERS REISJE LANGS WAT
AMSTERDAMSE SCHOOL
Er was nogal veel zonlicht in de lucht. Ruud
Braggaar en ik zaten in een ei van warmte, met het minimum aan
zuurstof dat we nodig hadden. Per z'n Audi auto begonnen we de
middag door naar de Maasstraat van de Amsterdamsche School te
rijden: het winkelcentrum dat enkele jaren geleden zo droevig
werd heringericht en bij mij de naam van Winkelcentrum Kaalslag
ging dragen. De vertrouwde kleuren van de gevels, de driehoeken
van steen, ze waren er nog, maar de bomen en struiken waren
bijna ganselijk geruimd. M'n plan aan Ruud het kunstwerk te
tonen dat door het hele centrum stroomde en praktisch door
niemand werd opgemerkt: een breed, slingerend pad van
voetstaplange stenen scherven, waarop vissen stonden afgebeeld,
viel in het water - maar ach, we waren ook in de Rivierenbuurt.
We hadden door de Roerstraat gezoemd, waar Anne
Frank ooit dikwijls liep op weg naar de Oase snackbar (die nog
steeds bestaat) en naar haar school (die ook nog steeds bestaat
en een gevel heeft die betekst is met haar nagelaten woorden).
Door de Diepenbrockstraat (die zo mooi is als de muziek van deze
componist: wenn ich ihn nur habe...) verlieten we - het
Beatrixpark, de kapel van de Maria verschijning (die overigens
elders in de buurt plaatsvond) en het huis van Duisenberg
passerend - de Rivierenbuurt.
We kwamen op de Muzenbrug die de al bijna duizend jaar oude
Boerenwetering en het 20e eeuwse Zuideramstelkanaal oversteekt.
Het Zuideramstelkanaal (ja, er is ook een Noorder-: dat kruisten
we toen we naar de Harmoniehof trokken: het Plan Zuid van
Berlage was tweebenig) is rond m'n geboortejaar gegraven en
bestond tot na de Tweede Wereldoorlog vooral uit water en zand
ernaast, waar ik als op een strand kon spelen. 'n Oase van
stilte, op enkele gedachten afstands van de drukke Roelof
Hartstraat, annex Ceintuurbaan, maakte het zonlicht van de
Harmoniehof dat met lage woningen een luxueus aangelegde tuin
van diepgekleurd en zomerrijp groen en groen omarmde. Een oude
vrouw veegde het trottoir voor haar huis zondags rein en
vertelde dat haar man, al negentig, de vorige avond was gevallen
en dat zij beiden de hele nacht in het ziekenhuis hadden
doorgebracht.
Toen ik vroeg hoe het met hem was, leek het dat ze me niet
hoefde te horen: ze veegde door, ze had onder druk van haar
omstandigheden genoeg gezegd, haar emoties voldoende
gecollectiveerd. Ik voelde me even tot een willekeurig iemand
gesmolten.
Huize Lydia op het Roelof Hartplein straalde veel meer leven uit
dan toen het tijdens de bezetting van '40 tot '45, terwijl ik
aan de overkant op de HBS leerde en leed, een grote meute
moffische meiden bevatte: in grauwe uniformen, waardoor ze haast
niet van het asfalt op het plein waren te onderscheiden, al hun
militante germaanse vruchtbaarheid gecamoufleerd.
Omdat gevelwanden - het geïndustrialiseerde woonmassaproduct -
het gevaar van een te grote eentonigheid liepen, hadden
architecten onder meer scheepswanden en Oost-indische
gemeenschapshuizen als voorbeeld genomen. Staal bijvoorbeeld
(die ook de wolkenkrabber bouwde) had de J.M. Coenenstraat een
lang schip gegeven met aan het eind gestileerde golven, en
stoomloze funnels (echter hier geen schoorstenen, maar
toegangshuisjes) op het dak.
In de Cliostraat, een zijstraat van de Beethoven, trachtte Ruud
een foto te maken van de Openluchtschool van Duiker, maar er was
slechts halftoegang voor z'n camera. Vervolgens gingen we naar
de plek waar Gerrit van der Veen (van de aanslag op het
Amsterdamse Bevolkingsregister in 1943, waarvoor Nijhoff nog het
explosievenplan maakte) was neergeschoten door de Duitsers. Ik
vertelde hoe chirurg Knapper hem had verzorgd en hoe Koos
Frielink (van de latere literaire salon Frielink in de
Valeriusstraat, waar ik ook enkele malen optrad in een programma
samen met resp. Lucebert en Jan Hanlo) de gewonde verder had
verzorgd.
We reden langs de Bosbaan (die ik nog heb zien graven door een
soort dwangarbeiders), langs de Ringvaart, naar de Molen van
Sloten, waar de molenaar me nog herkende en zelfs m'n naam goed
uitsprak. Ik poseerde er voor m' n tekst in de gedenksteen: ‘ik
maal niet om de olie of het graan/ik til heel wat water uit de
stad vandaan/de wind valt in m’n wieken als een valk:/ik kan de
jaren van m’n toekomst aan’. We wandelden een stukje van het
dorp Sloten in (Amsterdam bestaat deels uit vele oude of
niet-zo-oude dorpen: Durgerdam, Ransdorp, Zunderdorp, Holysloot,
Schellingwoude, Nieuwendam, Buiksloot, Oostzanerwerf, Ruigoord,
Osdorp, Sloten, het verdwenen Nieuwerkerk, het verdwenen
Amsteldorp, Betondorp, Merwededorp, Driemond en misschien nog
wel meer). We zagen een oud huis met gepensioneerde leibomen
ervoor, we stonden bij het ooite cachot, dat later de kleinste
tweedehandsboekhandel werd. Er stond een oude brandweermelder
niets anders te doen dan rood en nostalgisch te zijn. Daarna
reden we naar de Spaarnwouderbuurt, een beetje op de tast, want
in de 6, 7 jaar dat ik niet meer autorijd, is er veel veranderd.
Zo zag ik hoe een stuk Bosch en Lommer was verkeerd (verkeerd?)
in hoge kale nieuwbouw. We parkeerden in de Hembrugstraat en
wandelden het Zaanhof in van Michel de Klerk. Het had iets
middeleeuws en iets Engels. Alweer een oase van rust, niet
zozeer nog in de bekende stijl van De Klerk, meer van na
wereldoorlog I. We pauzeerden er even tussen de bomen om de
sfeer te pakken.
Vervolgens trokken we om Het Schip heen (dat ik meer een enorme
taart vind: hoe kan zoveel zwaarte op zulke weke bodem staan).
Ook hier weer: schip (net als bijvoorbeeld de huizen van De
Klerk heten op het Henriëtte Ronner- en 'tweeling'plein). We
zagen nog zo'n oude krantenkiosk van voor en na de oorlog. Sinds
enkele weken was Museum Het Schip geopend. Het bestond uit twee
gedeelten: het postkantoor en aan de andere kant van 'de taart'
een woonhuis. Het postkantoor was een groot wonder in
wondermooie vormen en wondermooie kleuren. Alles was ontworpen
door De Klerk: de loketten, de spreekcel, de telefooncel (met
dubbele deur), het toilet, de letters, de cijfers. Jammer dat er
zoveel ruimte nu bleek besteed aan de verkoop van boeken en aan
Apple monitoren (er was zelfs een film van Joost de Klerk, zei
men, maar nee): zo hadden we meer fantasie nodig om ons het
oorspronkelijke voor te stellen, meende ik, en dat konden we ook
wel elders. We gingen dan ook redelijk vlug al naar het
ingerichte woonhuis.
Beneden was het als levend interieur ingericht, boven was het
meer expositie: foto's, tekeningen, en waarom er schelpen van
Wijdeveld (oom van 'mijn' beeldhouwster Charlotte Köhler) waren,
was me niet duidelijk. Beneden zaten we aan de huiskamertafel:
we keken naar de radio die een onderdeel miste en als zodanig
dus nog moest stammen uit de tijd dat er nog geen radio was,
naar de spiegel boven de schoorsteen met worteldoekse
achtergrond, naar een dressoir (er was ook eigenlijk te weinig
ruimte voor een buffet). We voelden er ons wonderwel in alles
thuis. Het was alsof we bij onszelf op bezoek waren: in vroeger,
een complete verjongingskuur. Zelfs toen we veel later, uit het
warme ei gebroken, door de zomerse dikte in de lucht weer mijn
Waalstraatse huis betraden, was m'n woning een vreemde voor me:
ik zat nog helemaal in jaren terug. Het was een magisch-achtige
zondagmiddag in volstrekt andere tijden. Ik was zo’n 70 jaar
jonger geweest.
Karel N.L. Grazell -
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam
Reageren?:
Gastenboek |