 Hoe
het betonnen beestje aan z’n naam kwam
De propeller zat, met een beetje overdrijving, in m’n voorhoofd.
Het roer zat vastgemaakt aan m’n rug. De foto-Cesna was een
soort Fiatje 500, dat knelde in oksels en liezen. Maar we
taxieden over het groene gras van het oude Schiphol.
Toen stopten we. Een dikke meneer kwam uit een hangar: wat is er
aan de hand?
De pilote: de handrem doet het niet.
Handrem, dacht ik: in de lucht?
Waar gaan jullie naar toe, vroeg de man.
Zuid-Limburg.
Gaan jullie daar landen op Beek?
De pilote keek me aan: ik was de opdrachtgever voor de vlucht.
Ik wil wel lunchen, zei ik.
Ja, dàn hebben jullie een handrem nodig.
En dus liep ik een uur te wachten onder de torenhoge vliegtuigen
in de hangars (hoe krijg je die dingen zo groot? hoe krijg je ze
overhoofd de lucht in?), en toen was de handrem, kennelijk voor
het besturen van de wielen, weer in orde.
Het vliegtuig, boordevol met vier personen, vloog op 150 meter
boven Nederland, ons oriënterende op de grote wegen onder ons.
Dat was nog eens echt vliegen: elke hobbel in de lucht voelden
we. We volgden de A2 en dan over de rivieren linksaf naar
Roermond. Daar maakten we rondjes boven de breeduit schoorsteen
van de krachtcentrale in de Maas. Ik zak wel even, riep de
pilote, en dan laat ik ‘m slippen. Het toestel hing angstig
schuin: het trok omhoog en gleed tegelijk af – en toen wierp de
luchtfotograaf die voor me zat, de deur open. Ineens hing ik,
alleen nog aan m’n gordel, een twintigtal meters boven een
stinkend inferno. Nu nog, terwijl ik dit decennia later schrijf,
voel ik de pijn van hoogtevrees in m’n benen.
Later vlogen we boven Zuid-Limburg. Daar moest ik zijn om te
zien welke luchtfoto’s geschikt waren voor de promotie van het
gebied, nu de mijnen waren gesloten en er nieuw werk moest komen
(en dat was mede mijn pakkie-an). Het was het uitvlieggebied van
de straaljagers uit diverse landen. Ze vlogen als enorme kogels
om ons heen.
’n Anderhalf uur later hingen we boven Buitenveldert en zagen
het Bos, dat fraaie boerenkoolveld, voor ons. De pilote zette de
motor af, de propeller in m’n voorhoofd stond stil, en met een
veel te grote gevoelssnelheid daalden we in een plotse,
overweldigende stilte tot vlak over de lantaarnpalen aan de
Ringvaart naar het groene gras weer van het oude Schiphol.
Niet lang daarna kreeg ik opdracht een reclamecampagne te maken
voor een nieuw kantoorgebouw aan De Boelelaan. Ik bedacht dat
bereikbaarheid het belangrijkste verkoopargument van het gebouw
was: de Ringweg, Schiphol, de trein – en dan nog de tuinstad
Buitenveldert als woongebied voor de staf van de hurende
bedrijven.
Ik herinnerde me hoe ik in die Cesna boven de locatie had
gehangen. Ik besloot het gebouw van bovenaf te laten tekenen,
midden in de wijk, midden in z’n bereikbaarheid. Eerst gingen de
art director en ik kijken op het Crest Hotel. Ik stond in de
deur, verstijfd: centraal op het dak en centraal in m’n
hoogtevrees. De art director liep wat over het grint, struikelde
over een draad en wist zich nog net op de rand van de diepte
staande te krijgen (opnieuw voel ik nu een enorme scheut
hoogtevrees) - het schrijven van columns kan pijn doen). En nee,
besloot ik, vanaf het Crest hadden we niet de juiste richting om
het gebouw te laten tekenen.
Ik ging enkele dagen later met de illustrator de wijk in en we
reconstrueerden hoe het er vanuit de lucht uit zou zien. De
campagne kon gemaakt.
Maar toen werd ik bij de opdrachtgever geroepen.
Meneer Grazell, u hebt onlangs een campagne voor ons gemaakt die
in de branche veel kritiek kreeg. Mijn collega’s vonden ‘m veel
te populair. U hebt nu dit nieuwe gebouw een naam gegeven en
dat wil ik niet.
Ik keek naar z’n mahoniehouten bureau, naar z’n English style
maatpak: maar u hebt veel flats verkocht. U zei tegen me, dat u
meende dat de woningen slecht zouden verkopen. En ik heb ervoor
gezorgd dat bij elke oplevering de mensen in slaapzakken de
nacht doorbrachten om asjeblieft een flat te mogen kopen.
De campagne was echter al te ver onderweg om de naam er nog uit
te halen (dat was namelijk veel moeilijker dan de leek zou
denken) en enkele weken later hing een bordje aan de luifel van
het gebouw: Officia.
Een dozijn jaren geleden werd ik door enkele vroegere
‘leerlingen’ (ik geef gratis les aan jong schrijftalent om
copywriter te worden) uitgenodigd om eens rond te worden geleid
op het reclamebureau waar zij werkten en dat in Officia was
gevestigd.
Ik heb toen een kopie gemaakt van de eerste advertentie van de
Officia campagne, ‘m gesigneerd en gedateerd, en die geschonken.
Hij kwam in het bureau in een lijstje te hangen: een soort
doopbewijs.
Kan dit een stem uit het stadsdeel zijn?
Hart.gr.
Karel
Karel N.L. Grazell -
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam
Reageren?:
Gastenboek |