Column Karel N.L. Grazell

<< terug

hoofdmenu

 

Hoe het betonnen beestje aan z’n naam kwam

De propeller zat, met een beetje overdrijving, in m’n voorhoofd. Het roer zat vastgemaakt aan m’n rug. De foto-Cesna was een soort Fiatje 500, dat knelde in oksels en liezen. Maar we taxieden over het groene gras van het oude Schiphol.
Toen stopten we. Een dikke meneer kwam uit een hangar: wat is er aan de hand?
De pilote: de handrem doet het niet.
Handrem, dacht ik: in de lucht?
Waar gaan jullie naar toe, vroeg de man.
Zuid-Limburg.
Gaan jullie daar landen op Beek?
De pilote keek me aan: ik was de opdrachtgever voor de vlucht.
Ik wil wel lunchen, zei ik.
Ja, dàn hebben jullie een handrem nodig.
En dus liep ik een uur te wachten onder de torenhoge vliegtuigen in de hangars (hoe krijg je die dingen zo groot? hoe krijg je ze overhoofd de lucht in?), en toen was de handrem, kennelijk voor het besturen van de wielen, weer in orde.
Het vliegtuig, boordevol met vier personen, vloog op 150 meter boven Nederland, ons oriënterende op de grote wegen onder ons. Dat was nog eens echt vliegen: elke hobbel in de lucht voelden we. We volgden de A2 en dan over de rivieren linksaf naar Roermond. Daar maakten we rondjes boven de breeduit schoorsteen van de krachtcentrale in de Maas. Ik zak wel even, riep de pilote, en dan laat ik ‘m slippen. Het toestel hing angstig schuin: het trok omhoog en gleed tegelijk af – en toen wierp de luchtfotograaf die voor me zat, de deur open. Ineens hing ik, alleen nog aan m’n gordel, een twintigtal meters boven een stinkend inferno. Nu nog, terwijl ik dit decennia later schrijf, voel ik de pijn van hoogtevrees in m’n benen.
Later vlogen we boven Zuid-Limburg. Daar moest ik zijn om te zien welke luchtfoto’s geschikt waren voor de promotie van het gebied, nu de mijnen waren gesloten en er nieuw werk moest komen (en dat was mede mijn pakkie-an). Het was het uitvlieggebied van de straaljagers uit diverse landen. Ze vlogen als enorme kogels om ons heen.
’n Anderhalf uur later hingen we boven Buitenveldert en zagen het Bos, dat fraaie boerenkoolveld, voor ons. De pilote zette de motor af, de propeller in m’n voorhoofd stond stil, en met een veel te grote gevoelssnelheid daalden we in een plotse, overweldigende stilte tot vlak over de lantaarnpalen aan de Ringvaart naar het groene gras weer van het oude Schiphol.
Niet lang daarna kreeg ik opdracht een reclamecampagne te maken voor een nieuw kantoorgebouw aan De Boelelaan. Ik bedacht dat bereikbaarheid het belangrijkste verkoopargument van het gebouw was: de Ringweg, Schiphol, de trein – en dan nog de tuinstad Buitenveldert als woongebied voor de staf van de hurende bedrijven.
Ik herinnerde me hoe ik in die Cesna boven de locatie had gehangen. Ik besloot het gebouw van bovenaf te laten tekenen, midden in de wijk, midden in z’n bereikbaarheid. Eerst gingen de art director en ik kijken op het Crest Hotel. Ik stond in de deur, verstijfd: centraal op het dak en centraal in m’n hoogtevrees. De art director liep wat over het grint, struikelde over een draad en wist zich nog net op de rand van de diepte staande te krijgen (opnieuw voel ik nu een enorme scheut hoogtevrees) - het schrijven van columns kan pijn doen). En nee, besloot ik, vanaf het Crest hadden we niet de juiste richting om het gebouw te laten tekenen.
Ik ging enkele dagen later met de illustrator de wijk in en we reconstrueerden hoe het er vanuit de lucht uit zou zien. De campagne kon gemaakt.
Maar toen werd ik bij de opdrachtgever geroepen.
Meneer Grazell, u hebt onlangs een campagne voor ons gemaakt die in de branche veel kritiek kreeg. Mijn collega’s vonden ‘m veel te populair. U hebt nu dit nieuwe gebouw een naam gegeven en dat wil ik niet.
Ik keek naar z’n mahoniehouten bureau, naar z’n English style maatpak: maar u hebt veel flats verkocht. U zei tegen me, dat u meende dat de woningen slecht zouden verkopen. En ik heb ervoor gezorgd dat bij elke oplevering de mensen in slaapzakken de nacht doorbrachten om asjeblieft een flat te mogen kopen.
De campagne was echter al te ver onderweg om de naam er nog uit te halen (dat was namelijk veel moeilijker dan de leek zou denken) en enkele weken later hing een bordje aan de luifel van het gebouw: Officia.
Een dozijn jaren geleden werd ik door enkele vroegere ‘leerlingen’ (ik geef gratis les aan jong schrijftalent om copywriter te worden) uitgenodigd om eens rond te worden geleid op het reclamebureau waar zij werkten en dat in Officia was gevestigd.
Ik heb toen een kopie gemaakt van de eerste advertentie van de Officia campagne, ‘m gesigneerd en gedateerd, en die geschonken. Hij kwam in het bureau in een lijstje te hangen: een soort doopbewijs.

Kan dit een stem uit het stadsdeel zijn?
Hart.gr.
Karel

 

 

Karel N.L. Grazell -
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam

Reageren?: Gastenboek

<< terug

hoofdmenu

Bezoekersteller