
Imré Somogyi is gegaan (1936-2008)
Op 27 juni jl belde hij (72)
me: ja Karel, met Imré. Hij was door z’n rugpijn niet in staat
nog te schilderen of bij mij te komen. Ik zei: maar ik kan ook
bij jou komen. Tenslotte ligt mijn Bolestein maar een paar
minuten fietsen van jouw Sijpestein (het klonk een beetje als in
de Middeleeuwen). Ook dat was moeilijk, want hij sliep
tegenwoordig elke middag. Da’s op jouw leeftijd een goeie
voorbereiding, schertste ik.
Twee-en-een-halve week later achtte Zwarte X hem voldoende
voorbereid.
Boven m’n luie stoel hangt een schilderij van de Buitenveldertse
kunstenaar – men vindt dat over het algemeen het mooiste dat ik
heb. Zelf vind ik z’n ets van het paard heel mooi: dat was
gevoegd bij een uitgaafje (1992 van een gedicht mijner: stad van
volwassenheid (zie ook op zuidelijkewandelweg in m’n Anaconda
van Amsterdam).
Dat gedicht was aan hem gericht. Hij woonde namelijk sinds half
jaren zeventig op Sijpestein in Buitenveldert en dat was denk ik
omtrent de Boerenwetering die daar vroeger liep in de weilanden,
waarop ik in m’n jeugd van voor WO II uitzicht op had.
Toen ik op 22 januari 1970 met hem kennismaakte: hij was al een
tijdje art director op het reclamebureau, waar ik die dag kwam
werken als copychief, hadden we al een korte tijd ongezien met
elkaar gewerkt voor Wehkamp. Hij bleek een van de betere art
directors te zijn, die ik in m’n reclamecarrière had leren
kennen.
Bijna ’n jaar later gingen we een soort concubinaat aan: we
gingen samen op één kamer werken – terwijl rond ons heen zich in
andere kamers zich een klein team van assistenten vormde. We
werkten er bijna zelfstandig en men noemde ons schertsend wel
het bureau Grazell & Smit (zo heette hij toen nog) of ook wel de
Imka boys (Imré/Karel). Dat concubinaat – we zagen elkaar
wellicht meer (en er was ook veel overwerk, om over de
nachtmerries maar niet te spreken) dan onze partners – duurde
zo’n beetje tien jaar. Dat is heel lang, zéker als je zo
intensief en met weinig remmen (ideeën komen als je niet geremd
bent) met elkaar omging als wij: zowel wat creativiteit betreft
als verdere uitwisseling van vriendschappelijke discussies,
gesprekken.
Nadien stopten we met werk: hij een paar jaar eerder dan ik. En
hij ging (weer) volop schilderen. Maar we bleven contact houden,
En zo kijk ik dan nu terug op een vriendschap die zowat ons
halve leven duurde. Hij was een heel mannelijke, heel lieve,
heel gevoelige man. die heel voorzichtig trachtte om te gaan met
wat hem aanging. Ik heb hem meegemaakt als een onder
omstandigheden gebukte, maar ook als een onafhankelijke. Ik heb
hem meegemaakt als een diepvoelende, diepgravende,
Twee kleine voorbeelden (want al het andere blijft tussen hem en
mij). Eens, toen hij jarig was, wilde hij – als altijd, geen
cadeaus, maar hij stelde voor dat men naar een plek ging die men
de mooiste vond en daar witte bloemen legde. Ik weet nog hoe ik
naar de Grand Place in Brussel wilde, maar daar natuurlijk geen
tijd voor had, en daarom koos m’n geboortehuis uit. Een andere
keer: toen m’n
ex-vrouw enkele jaren geleden werd gecremeerd, was hij degene
die huilde.
Hij schilderde bijzonder goed, met heel veel aandacht. Hij werd
geen beroemde Buitenvelder, want op het doek zetten wat je
aangaat is iets anders dan je ‘verkopen’. Hij was niet iemand om
langs de weg te timmeren… eh schilderen. Toch werd hij enkele
jaren geleden uitgenodigd voor een masterclass en dat zei wel
hoe goed hij was.
Ik citeer hem:
Het maken van kunst is een voortdurend emotioneel proces van
zelfherhaling op zoek naar schoonheid; Schoonheid zit immer
verborgen in de werkelijkheid, hoe gruwelijk die zich ook
voordoet.
Imré Somogyi, het ga je goed.
Crematie Imré Somogyi
(aula Nieuwe Oosterbegraafplaats, 22.7.08)
Ze spraken rouw. Nauw te verstaan
en huilend soms. Maar goddank, ze
spraken. Dat je dood was. Of dat je
sliep. Dat je niet gestorven was, En
beste broer. Lieve papa. Ik dacht: je
had gebloeid, zoals ieder mens, een
rode kersenbongerd, die bloesemde
en rijpte. bloedde en glansde, zoals
ieder mens. Tenslotte viel je af, zo
onverwacht, en lag je op een schaal,
klaar voor de eeuwigheid. Een stem
zong voor jou: Gracias a la Vida, ja.
Ze spraken rouw. Nauw te verstaan
en huilend soms. Want wat kan een
mens al overlevend zeggen? Maar
goddank, ze spraken. Ik dacht: nog
even wachten. Imré, dan komen we
allemaal, zeggen we wat we zeggen
willen, klaarhelder, en zonder taal.
Karel N.L. Grazell -
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam
Reageren?:
Gastenboek |