
Het kordaat getikte ruitje van de
keukendeur
Ga mee, lezer, helemaal terug
naar het late voorjaar van 1951.
Ik zit te schaken in een café op het Leidseplein: voor m’n lol,
m’n brood en m’n huur. Vluggertjes met de klok: ieder 5 minuten
voor de hele partij. En naar keuze om kwartjes, guldens. ’n Paar
uurtjes in de middag brengen me meer op dan een hele dag op
kantoor.
Die specifieke middag zit ik weer eens te spelen met Kees, een
vertegenwoordiger. Hij is een grote man met een wat blozend
gezicht, en maakt altijd een welgemoede indruk. Hij krijgt met
schaken vóór van me: een stuk, of een aantal minuten op de klok.
Ik schaak wel meer met ‘m, steeds zo’n tien, twaalf spelletjes
op een middag. Soms gaan we daarna biljarten, of we zitten
zomaar wat te kletsen.
Die dag zit ik met een dilemma. Ik ben namelijk ineens dakloos.
Dat zit zo. ’n Paar jaar eerder ben ik op kamer gaan wonen –
eerst in de Maasstraat bij de weduwe van Carré-directeur Alex
Wunnink, daarna op de Herengracht in het huis waarin later Hans
van Mierlo trok, daarna… nou ja, en zo door. De relatie tussen
hospes/pita en mij is niet altijd zo goed, dus ik worstel nog
wel eens met een opzegging van de huur.
Zo ook enkele weken geleden. En voor het gemak was ik maar even
in m’n ouderlijk huis getrokken aan de Amstelveenseweg.
Alleen, ik kreeg geen sleutel meer van m’n ouders. Ik woonde er
immers niet meer officieel. Dat was al eens eerder voorgekomen.
M’n ouders gingen die keer enkele dagen naar de TT-races. En m’n
vader zei keihard: je zoekt maar ergens anders een slaapplaats
als wij er niet zijn.
Dat ik geen sleutel van het huis had, was toen echter geen
probleem: ik klom via een boom op het serredak en daar stond het
bovenlicht van een raam open. Ik kon er met m’n arm door en
haalde net de spanjolet, zodat ik het hele raam kon openen.
Nu waren m’n ouders veertien dagen met vakantie gegaan en bleek
het bovenlicht dicht.
Aldus vertelde ik bij een pilsje na het schaken aan Kees.
Laten we maar eens gaan kijken, zei hij.
In z’n Volkswagen reden we naar de Amstelveenseweg 797 en daar
over het erf van de boerderij naast ons. langs de deel, de
hooiberg, de paardenstal. Kees parkeerde de auto vlak bij het
varkenskot achter onze groentetuin..
We bekeken het huis. Alles potdicht.
We beklommen het trapje naar de keukendeur.
Wacht even, zei Kees. Hoe zit die deur dicht?
Gewoon met een schuifje, zei ik.
Geen sleutel?
Nee, zei ik, die zijn we al jaren kwijt.
De deur telde een vijftien ruitjes.
Kees trok een schoen uit.
Zit hier dat schuifje, wees hij een ruitje aan.
Eentje hoger,
Z’n hak ging kordaat door het glas.
Jarenlang is me dit gebeuren bijgebleven. Niet vanwege dat
ruitje (m’n vader heeft er trouwens nooit iets over gezegd en
gewoon een nieuw ingezet). Maar Kees was zo’n gemoedelijke
huisvaderachtige figuur van begin dertig. En die doet zoiets
dan, kennelijk zonder enig probleem. Bedenk: het was 1951 en er
was nog veel solidariteit en vertrouwen – zelfs in 1961 deden we
in Hilversum nog gewoon een touwtje uit de brievenbus als we
niet thuis waren en iemand moest in het huis zijn.
Ga mee, lezer, terug naar het voorjaar van 1995. Toen werd 50
jaar Bevrijding gevierd. Op de TV gaf Joop van Zijl commentaar
bij een grote reportage over het schieten op de Dam in 1945.
Interviews en herinneringen ophalen werden afgewisseld met
filmbeelden van toen.
En op een gegeven moment kondigde Joop aan: en dan komen nu de
verzetsmensen aanmarcheren uit de Kalverstraat, die ook ’n halve
eeuw geleden kwamen om de rust te herstellen.. Joop noemde de
naam van Kees.
En daar kwamen die nog leefden. Keurig in het gelid. En wie liep
er enkele passen vooruit als de leider?
Kees. Verzetsman in de oorlog. En nadien in de rol van
gemoedelijke huisvader.
Het kordate intikken van het ruitje werd me duidelijk.
Karel N.L. Grazell -
eerste stadsdeeldichter van ZuiderAmstel
en de 3e van Amsterdam
Reageren?:
Gastenboek |