Ingezonden bijdrage van: Olaf Swaneveld

Terug naar de vorige pagina <<

hoofdmenu

index ingezonden

Pagina van Olaf Swaneveld

Share |

INDEX:

 

omhoog  Rijnstraat 20 (1)

Allereerst richt ik een gedenksteen op voor de eerdere en wellicht eerste bewoners van Rijnstraat 20. De tekst daarbij spreekt voor zich.

Digitale gedenksteen ter herinneringen aan de voormalige bewoners van mijn
ouderlijk huis Rijnstraat 20/3 Amsterdam

bron: www.joodmonument.nl

Eliazer Engelander »
Amsterdam, 4 juni 1897
Mauthausen, 7 juli 1942
Gezinshoofd
Rosa Engelander-Zanten »
Amsterdam, 5 april 1901
Sobibor, 16 april 1943
Echtgenote
Esther Engelander »
Amsterdam, 16 december 1929
Sobibor, 16 april 1943
Dochter
 

Overzicht digitale gedenkstenen in de Rivierenbuurt

Oorspronkelijk, in 1942, wilden mijn ouders, Govert Swaneveld (1915) uit Amsterdam en Helena Augustinus (1916) uit Haarlem, zich aan de Harddraverslaan in Santpoort vestigen. Door omstandigheden vond dat geen doorgang en vanaf  3 september 1943 (de huwelijksdatum in Haarlem) woonden ze in Amsterdam in de Rijnstraat nr. 20 op de derde verdieping. Deze woning was, net als heel veel panden en etages in de Rivierenbuurt, volkomen leeg(gehaald). De joodse mensen die er gewoond hadden waren gedeporteerd en hun bezittingen waren ingenomen.
Mijn ouders vestigden op dit adres, een tandtechnisch laboratorium, doordat zij een vergunning konden bemachtigen. Er was namelijk een zeer beperkt aantal vergunningen beschikbaar voor geheel Amsterdam. Daarin is eerst in de jaren ’60 van de vorige eeuw verandering gekomen. Het was niet alleen oorlog, het was ook hard weken voor de beide partners. Verder werd een belangrijk deel van de relatief schaarse vrije tijd opgeslokt door de schaakpartijen die mijn vader al dan niet in competitieverband speelde. Hij was dan ook zeer bekend en lid van het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap (VAS).
Op 4 juni 1944 werd ik, Olaf Swaneveld, geboren. Na Dolle dinsdag volgde de hongerwinter en op 4 en 5 mei 1945 en nog wat stuiptrekkingen van het vermaledijde regime. In de Rijnstraat uitte zich dat op die dagen door wat in auto’s wild heen en weer rijdende bewapende collaborateurs die brulden dat de ramen van de huizen gesloten moesten blijven.
De fotograaf Henk Booms brulde vanaf Rijnstraat 20 I een grapje terug, maar werd daarop wel flink bedreigd.
Het leven hernam niet zijn gewone gang. In het najaar werd mijn vader besmet met de tyfusbacil. Hij was bepaald niet de enige in de Rivierenbuurt. Volgens de toenmalige huisarts Landheer lag de besmettingsbron bij de melkfabriek in Uithoorn. Geneesmiddelen waren er nauwelijks, penicilline werd nog op de moeilijke wijze gewonnen en geproduceerd en zo overleed mijn vader op 6 januari 1946.
Op de foto’s van de begrafenis van mijn vader (gemaakt door Jo Kroon van de Swank Shot Studios aan het Rokin en vriend van mijn vader) staat op Zorgvlied, aan de rand van het graf, een volstrekt ontredderde jonge vrouw: mijn moeder die meer dan zes maanden zwanger was van mijn zuster.
Op 28 maart 1946 werd mijn zuster geboren. Oorspronkelijk zou zij Winnifred heten, maar om de een of andere reden heeft mijn moeder toch voor vernoemen gekozen: Goverta. Dat kon dus niet volgens de ambtenaar van de Burgerlijke stand, dat was een niet bestaande naam. Mijn moeder verwees daarop naar een eerdere inschrijving van deze naam. Dat klopte, want er was al een Goverta Swaneveld, de latere Verti (Goverta) Dixon (omroepster VPRO).
Mijn moeder bleef achter met een leeg bedrijf; degene die het vak kon uitoefenen leefde niet meer. Zij had alleen de vergunning en de administratieve kennis. Sociale vangnetten bestonden er eigenlijk niet en door het toenmalige man-vrouwbeeld, dat tot in de jaren ´70 van de vorige eeuw stand zou houden, zag het er niet naar uit dat zij het makkelijk zou krijgen. Dat bleek maar al te waar.
“De vergunning” leek een tijd lang de kurk te zijn waarop zij (en haar kinderen) konden drijven. Er stond een groeiende druk op het tandtechniekersbedrijf door het beperkte aantal vergunningen en zo kon mijn moeder een zetbaas inhuren. Dat ging min of meer goed tot februari 1953. Voor het oog werd het bedrijf toen verplaatst naar de Weesperstraat. Feitelijk bleek dat de zetbaas een vergunning had bemachtigd en er met alle apparaten en voorraden vandoor was gegaan. Er bleken geen goede afspraken gemaakt te zijn. Vanaf dat moment begon de armoede. Geen sociale voorzieningen, wel werkloosheid, geen steun van de familie van mijn vader, terwijl de ouders van mijn moeder met hun gezondheid sukkelden.
Mijn moeder stond achtereenvolgens in een aantal winkels in de binnenstad achter de kassa en kwam uiteindelijk, eind 1954, bij de Raad van Arbeid op het Rhijnspoorplein terecht: ambtenaar. Na een jaar een vaste aanstelling. De regelmaat was terug, maar op een zeer, zeer laag niveau.

Wat ik mij als kleine jongen van Rijnstraat 20 III kan herinneren is de somberheid van de woning. Deze werd o.m. veroorzaakt door de uitermate matte donkerroodbruinachtige kleurstelling in de woning. Dat veranderde eerst halverwege de jaren ´50 door er lichtere kleuren in aan te brengen. Verder herinner ik mij dat de open veranda regelmatig doorrotte waardoor deze los van het huis kwam te staan. Dan kon je zo bij de buren beneden op hun buitenplek kijken. Voorts heb ik nog wel eens een opwind autootje per ongeluk naar beneden laten rijden. Dat kwam dan op de tegels in de tuin van de kruidenier (tot 1951, later bakker (tot 1956), fietsenwinkel (tot 1969) en tot ik vertrok in 1971 een doe-het-zelfzaak, terecht. Het voertuigje kwam in ieder geval hooguit in onderdelen terug.
In 1947 ging ik naar de peuterschool van Tensen op de Churchilllaan, in 1948 naar de kleuterscholen op het Meerhuizenplein en later de Uiterwaardenstraat 60a en in1950 naar de Dongeschool..
Grote gebeurtenissen waren de asfaltering van de Chuchilllaan en later datzelfde van de Rijnstraat. Er was al meer dan voldoende speelruimte in en rond de Rijnstraat, maar dit was natuurlijk helemaal te gek.
Kleinere gebeurtenissen waren het schaatsen in de winter op de Boerenwetering dan wel op de Amstelkade of de Zuidelijke Wandelweg en het kunnen spelen op het land bij de Zuidelijke Wandelweg en bij het Scheldeplein.
Dagelijkse gebeurtenissen op de lagere school waren het afhalen van de leerkracht of samen met een buurjongen naar school te gaan door het poortje van de Churchilllaan naar het Jekerplein waar de Vondelschool was gevestigd. Dan de Maasstraat over de Geulstraat in en dan na de Diezestraat te zijn overgestoken nog een klein stukje verder de Geulstraat in tot de Dintelstraat, deze rechtsaf in en dan meteen het schoolplein op. In de vijfde klas zat ik in een groepje kinderen dat op het schoolplein nog basketballes van Ton Boot heeft gekregen. Hij was door mevrouw Van Someren opgetrommeld met het oog op het jaarlijkse scholierentoernooi. Dat was wel grappig.
Incidentele gebeurtenissen waren vanaf 1954 wat proefschaken bij het VAS (maar ik had het talent van mijn vader niet) en televisie kijken bij buren en familie. Een televisie kon overigens eerst eind 1962 worden bekostigd.
Structureel was in ieder geval mijn leeswoede en het korfballen bij Allen Weerbaar op de Reggestraat.
Het voortgezet onderwijs volgde ik buiten de Rivierenbuurt.

Olaf Swaneveld
e-mail: o.swaneveld (at) hccnet.nl


omhoog  Rijnstraat 20 (2)
De andere bewoners vanaf half 1943 tot eind 1971


Wat ik mij van de andere bewoners van Rijnstraat 20 kan herinneren is niet erg veel, maar toch…!
Op de tweede verdieping was, ook in 1943, een (Rijks)politieman met vrouw en twee dochters ingetrokken. De man en de vrouw hadden vaak ruzie en dan ging het er flink aan toe. Volgens mijn moeder roste de man zijn vrouw regelmatig met zijn koppelriem af. Maar daarbij liet zij zich ook niet onbetuigd en scheen bekwaam met zeer hete materialen en substanties te kunnen opereren. Een ieder in het trappenhuis kon dan meegenieten van het kabaal. Vaag kan ik mij daar nog iets, een flard, van herinneren. Het was in ieder geval een merkwaardige relatie. Wat mij van deze echtgenote bijstaat, want van de man heb ik geen enkel beeld meer, was de donkere dofgele kleur van de duim, wijs- en middelvinger van haar rechterhand. Dat kwam van het doorlopend roken. Zij werd Iet genoemd. Als peutertje werd ik wel beziggehouden door de jongste dochter, Tity. Zij was zo’n 8 jaar ouder dan ik. De oudste zus heette Ina. Ik vond haar groot en omvangrijk.
Soms logeerde ik er wel eens een nacht. In 1949 verhuisde het gezin naar Haarlem. Ik zie Tity nog vertrekken achterin een voormalige legertruck (van verhuizer Kreuger, Rijnstraat 10) vol met meubilair en met het afdekzeil open aan de achterkant. Eén keer heb ik haar nog teruggezien. Dat was een aantal jaren later. Ik zat toen in de derde klas op de Dongeschool. Wat mij opviel was dat zij op alles wat ik haar vertelde “verbazend” zei. Ze leek niet meer op het slanke meisje dat ooit vertrokken was.
Het gezin Kotten, naar de achternaam van de man, dat vervolgens de tweede verdieping betrok had ook twee kinderen, een dochter en een zoon. Naar later bleek waren de beide kinderen uit een eerder huwelijk van de afzonderlijke partners afkomstig. De man, een overtuigde Stalinist, bracht zijn zoon in en de vrouw, een overtuigde relativist, haar dochter. De dochter trouwde al snel en vertrok na een ongeveer een jaar, maar de zoon, Gerrie, zag ik regelmatig. Dan sprong hij in één keer, met losse handen, van de beide rechte trappen af: van twee naar één hoog, met zijn schooltas in zijn armen. Dat vond ik prachtig en dat wilde ik ook wel. Hij was minstens 8 jaar ouder dan ik. Rond 1956 of 1957 vertrok ook hij uit huis. Het echtpaar Kotten, waarvan ik de voornamen niet ken, woonde er nog steeds toen ik in 1971 vertrok. De heer Kotten was niet alleen een flinke roker maar had, naar later bleek, een warme belangstelling voor geluidsweergave. In het bijzonder voor de vormen en inhoud van luidsprekers.
Hij was kleermaker van beroep en maakte broeken. Zijn productienaaimachine stond in de zijkamer naast de woonkamer aan de straatzijde opgesteld. Die machine maakte flink wat lawaai zodat er vaak onenigheid was met de buren die op de eerste verdieping woonden en heel veel last hadden van het gedreun en getril. Overigens kon je dat bij ons, op driehoog, ook horen. Dat kwam ook omdat er ’s avonds gewoon doorgewerkt werd.
De eerste verdieping dan.
Henk Booms was een bekende en steeds meer bekend wordende fotograaf in de jaren ’40 en ‘50. Zijn vrouw Ton en hij kregen aan het einde van de jaren ’40 een dochter Lilly; daar speelde mijn zus vaak mee. Lilly had prachtig blond haar dat ook steeds langer werd. Kort na haar geboorte liep het huwelijk van de ouders echter op de klippen en bleven moeder en dochter op één hoog achter in de vijftiger jaren..
Henk Booms ging verder met zijn fotowinkel in de Van Woustraat (net over de brug). Later kwam er nog een tweede vestiging bij in de Utrechtsestraat.

Aan onderverhuur, er was immers een permanente woningnood ontstaan, werd ook gedaan en wel in eerste instantie door het gezin Kotten van de tweede verdieping, later gevolgd door de bewoonster van de eerste verdieping, de moeder van Lilly Booms. Op de overloop werd op de vierde verdieping (zolderverdieping) een tweede toilet gebouwd op last van het gezin Kotten. Zij verhuurden hun zolderruimte en zolderkamer, die aan de achterzijde van het pand waren gelegen, aan een gezin Bijl. Een man en een vrouw die ook een zoontje hadden. Aan de heer Bijl waren wat steekjes los en zijn echtgenote vertrok al snel. Ik begreep dat deze man ook in het kleermakersvak zat. Dat oefende hij echter ergens in Amsterdam in loondienst uit. Hij deed doorgaans hele rare dingen en keek daarbij en nogal broeierig starend, om maar niet zeggen fixerend, uit zijn ogen. Geluidsoverlast met het radiogeluid op volle sterkte was nog wel het minste waarvan mee te genieten was, maar de frequente toiletlekkages die deze heer organiseerde waren echt een gruwel. Allerlei pogingen om door praten, overleg, een zekere harmonie tot stand te brengen, waren van mijn moeder afkomstig. De resultaten waren echter steeds nihil. Dat leidde tot wrijving tussen mijn moeder en het gezin Kotten, tussen mijn moeder en de heer Bijl. In het hele trappenhuis heerste er dus in die periode onenigheid!
Ook de bewoonster van de eerste verdieping, de voormalige echtgenote van Henk Booms, ging begin 1954 over tot onderverhuur. Op vier hoog kwam het pas gevormde gezin Trees en Joop Reurs aan de straatkant te wonen. In maart 1955 werd daar een zoon, Fred, geboren. Maar ook de relaties op de zolderverdieping stonden onder druk. De heer Bijl had zich, naast zijn radio, inmiddels ook met een trombone toe- en uitgerust en gebruikte dat instrument vaak voor het open raam. De ruzie met het gezin Reurs ontstond ondermeer daar door. Op een bepaald moment eindigde dat ergens aan het einde van 1955 in een kort handgemeen. De heer Bijl was daarna een stuk rustiger en gebruikte zijn trombone, waarop hij drie noten kon blazen, daarna ook veel minder. Voor het open raam aan de tuinzijde trad hij nog maar weinig ’s avonds op en in 1958 vestigde hij zich elders. Vanaf dat moment trok op de zolderverdieping een bonte stoet voorbij van alleenstaanden die toen nog vrijgezellen werden genoemd. Zij woonden daar doorgaans slechts een korte tijd. De namen staan mij ook niet meer bij. Rond 1959 werd bij Trees Reurs TBC geconstateerd en werd een ieder op Rijnstraat 20 aan een Mantouxreactietest onderworpen.
Trees Reurs werd enige tijd buitenshuis verpleegd en Joop Reurs en zijn zoon werden door familie opgevangen. Rond 1960 verhuisde dit gezin naar Osdorp. Aansluitend woonde er een gezinnetje Driessen, bestaande uit Toon, Maria en een dochter Pety. Maria kon onvoorstelbaar mooi zingen en was voorts een fanatiek aanhangster van Lou de Palingboer. Met Toon speelde ik wel Stratego, maar hij kon absoluut niet tegen zijn verlies. Dus leerde hij mij klaverjassen. Toen zij in 1962 vertrokken ontstond ook hier het patroon van door- en langstrekkende onderhuurders.
Inmiddels had Ton, de moeder van Lilly Booms, in 1955 een relatie met een andere partner, Herman Overdiek gekregen. Een paar jaren na hun huwelijk verhuisde het gezin in 1963 naar Amsterdam West. Daarop werd Rijnstraat 20 1 bewoond door een academisch echtpaar, Oene en Frans Peters met een dochter Kyra. In 1969 verhuisden zij met hun inmiddels verder gegroeide gezin van drie kinderen naar Brabant. Mijn moeder heeft nog tot 1998 regelmatig contact met ze gehad.
Vanaf 1962 verbeterden de onderlinge relaties in het trappenhuis aanmerkelijk en in een hoog tempo. Dat leidde bijvoorbeeld vanaf 1964 tot gezamenlijke maaltijden en eigenlijk was dat heel prettig.
De laatste jaren voor ik vertrok woonde er een Arubaans dan wel Curaçaos gezin op de eerste verdieping. Aardige mensen, maar meer weet ik er ook niet van.
Het winkelhuis werd vanaf 1943 achtereenvolgens bevolkt door een tweetal kruideniers, een bakker en vanaf 1956, door een fietsenmaker die ook brommers verkocht en repareerde. In 1970 werd deze activiteit gestaakt en werd een “Doe het zelf” vestiging (Hubo?) in het winkelpand ondergebracht.

14 september 2008,

Olaf Swaneveld
e-mail: o.swaneveld (at) hccnet.nl 
(met dank aan Lilly Koopmans-Booms voor haar commentaar op het concept van deze bijdrage)


omhoog  Rijnstraat 20 (3)
Het veld achter de Reggestraat

Achter de Rijnstraat, lag, omgeven door de IJselstraat, de Berkelstraat, de Oude IJselstraat en de Reggestraat een grindveld. Aan de rand van dat veld, aan de IJselstraat en bijna bij de Reggestraat stond (en staat nog steeds) een transformatorhuisje. De ingang van dat veld was aan de Reggestraat tegenover de Van Lennepschool, een Christelijke lagere school. Het was een echt grindveld, geen “gravel” met de bekende stoffige rode kleur, neen, een bleek grindveld. Na de oorlog werd dit veld overdag gebruikt voor buitensport door en voor leerlingen van de Van Lennepschool en wellicht nog andere buurtscholen. ’s Avonds en in de weekeinden door een tweetal korfbalverenigingen die, zeker na 1945, gezamenlijk van dat veld gebruik maakten, “De Eerste Driejarige” (DED) en Allen Weerbaar (AW). Voorts probeerde je als kind natuurlijk ook op dat veld te komen, maar helaas, het was bijna altijd afgesloten. Dan ontstonden zo nu en dan op spontane wijze gaten in het hekwerk en kon je er toch nog rommelen. Er was wel toezicht, maar niet altijd en daar werd natuurlijk gebruik van gemaakt, dat maakte het opereren op dat veld juist spannend. Rond 1954 kreeg ik langzaam maar zeker belangstelling voor sport. Voetbal vond ik niks, maar handbal, basketbal, korfbal en volleybal kregen mijn belangstelling. Volgens de achtereenvolgende gymnastiekonderwijzers van de scholen waar ik op bivakkeerde had ik overigens een “typische” aanleg voor het hardlopen; geen sprint, maar wel voor het langere werk. Maar ja, ook hardlopen als vorm van atletiek interesseerde mij niet, hoewel er wel wat verenigingsmensen van in het bijzonder AAC in de Rijnstraat bij mijn moeder over de vloer zijn geweest om eens te praten. Ja, “scouting” vond op die leeftijd ook toen al plaats. Dat heeft tot mijn 16e jaar geduurd. Ik wilde niet en vond het veel leuker om met Jan Aikens, die op nummer 25 woonde, samen als opgroeiende jongetjes te gaan korfballen: bij Allen Weerbaar. Dat was in 1954 en ik werd net 10 jaar. De vertegenwoordigers van de vereniging toonden zich weliswaar vereerd, maar de vereniging kende geen leden onder de leeftijd van elf jaar (10 jaar en x maanden). Het reglement bij deze vereniging voorzag daar, zoals duidelijk is, niet in en het is mij nog steeds onduidelijk of ik nu in formele zin wel of geen lid was. Feitelijk wel want in ieder geval werd de term van “welp” voor kinderen onder “de 11” gehanteerd. Verder vonden wel wekelijkse geleide trainingen plaats, dus de vereniging deed er wel iets mee. Enfin, in juni 1955 werd ik, na te zijn geballoteerd, formeel adspirantenlid zoals dat toen nog werd geschreven en kort daarop begon de competitie. Ik werd ingedeeld in een ploegje dat AW f heette en onder (bege)leiding stond van de heer Ab Ploeger sr.. Hij bleek de vader te zijn van twee veelbelovende korfballers, een dochter die Tineke heette en een zoon die vernoemd was en dus ook als Ab door het leven ging. Ik kan mij nog herinneren dat er ook uitleg werd gegeven over de spelregels en dat gebeurde bij Ab Ploeger sr. thuis op het Thérèse Schwartzeplein. Zijn dochter Tineke was er toen ook, maar had niet veel belangstelling voor haar omgeving. Vader Ab bromde iets in de trant van dat ze weer eens verliefd was en dat het dan altijd zo ging en dat wij, de aanstormende jeugd, daar ook nog wel eens mee te maken zouden krijgen. Los van dit alles: de spelregelavonden waren leerzaam en ook leuk.
Maar ja, mijn eerste wedstrijd was een sof. Los van het feit dat ik nog niet over een tenue en sportschoenen beschikte (wel gympjes), liet ik ook een van de twee doelpunten, die door tegenpartij werden gemaakt, door. Volgens de heer Ploeger duidelijk “verdededigd” en dat klopt vermoedelijk ook wel want ik raakte de bal nogal hard aan bij de schotpoging van het jongetje dat mijn “tegenstander” was, maar goed, de scheidsrechter van de tegenpartij “Victoria” aan de Polderweg waar AW f de “uitwedstrijd” speelde, keurde het punt goed. Zo begon het. Wel begon ik daarna een zekere naam te krijgen en faam te verwerven bij het winnend dan wel “gelijk” scoren in de laatste seconde van achtereenvolgende wedstrijden in een reeks van jaren en dat duurde tot ik via de “junioren” vanaf 15 jaar naar de senioren vanaf 18 jaar verhuisde. Toen was het eigenlijk wel voorbij bij AW. Ik ging daarop half 1963 in dienst en heb daarna nog nauwelijks serieus en actief gekorfbald; wel basketbal in militaire dienst en daarna, maar dat vond in hoofdzaak plaats in de Apollohal. Dat laatste begon rond mijn 15e jaar bij de vereniging AGON.
Het veld aan de Reggestraat bezocht ik vanaf 1965 nog sporadisch en na mijn verhuizing naar Zaandam eigenlijk in het geheel niet meer.
Na een aanvankelijke periode van teloorgang, de vereniging AW verhuisde naar Drieburg en de vereniging DED fuseerde met DVD tot DEVD en verdween naar Amstelveen, waarna de Sportvereniging Kattenburg (SVK) de Reggestraat nog een tijdje bezette, was het afgelopen met de sportactiviteiten aan de Reggestraat. Het gevolg was een absolute teloorgang van zowel het veld als de Reggestraatomgeving zelf. Het zag er niet uit. Na het jaar 2000 wijzigde zich dat langzamerhand in meer positieve zin door het ontwikkelen van een recreatieplein op de plaats van het voormalige sportterrein. Dat nu, ziet er thans behoorlijk goed uit en het transformatorhuisje staat nog steeds op dezelfde plek. Sommige dingen gaan niet zomaar voorbij.


 Transformatorhuisje ri Berkelsstraat en Oude IJselstraat uit Reggestraat / 6-2005


vanuit Reggestraat ri Berkelstraat / 6-2005


 IJselstraat ri Oude IJselstraat / 6-2005


li. zijde IJselstraat ri Reggestraat / 6-2006


Berkelstraat ri Reggestraat / 6-2006


vanaf Reggestraat IJselstraat ri Berkelstraat Oude IJselstraat / 6-2006


vanuit Berkelstraat ri Reggestraat en re. Oude IJselstraat / 6-2006

reacties mogen ook in het gastenboek worden geplaatst

omhoog

Terug naar de vorige pagina <<

hoofdmenu