Ingezonden door Ben Okker

Terug naar de vorige pagina <<

hoofdmenu

index ingezonden

Nederland

Pagina van Ben Okker

- RIVERBOYS !!
- STADIONBUURT, EEN KEURIGE BUURT
- JUFFROUW POTJEWIJD
- STILSTAANKRIJGERTJE OM DE PISBAK
- 10 MEI 1940
- MIDDELBARE SCHOOL
- HET DAGELIJKS LEVEN IN DE JAREN DERTIG
- WANDBORDJE
- HET MASKER AF

- SCHAARS
- SLUITSTUK
- LOPEND TERUG  NIEUW
- WIE SCHRIJFT, DIE BLIJFT  NIEUW

 

 

 

omhoog  RIVERBOYS !!

De nieuwe RAI was er natuurlijk nog niet, op die plaats was een mooi groot zandterrein. De bezetting was er al wel, want we spreken over zomer 1940 maar nog zonder directe ingrijpende gevolgen.

Honkbal was al aardig bekend in die tijd, dat kwam mede omdat nèt voor de oorlog een Amerikaans studententeam, Seagulls, meen ik, meespeelde in de competitie.
Bovendien speelden we honkbal op de “4e drie”, de 4e HBS met 3-jarige cursus in de P.L.Takstraat in Amsterdam. Recht tegenover die school was de “2e O” de 2e Openbare Handelsschool waar ook gespeeld werd.
De P.L.Takstraat ligt in het verlengde van de Waalstraat en er waren veel leerlingen afkomstig uit de Rivierenbuurt en – zoals ik zelf – uit de Stadionbuurt. Veel Joodse leerlingen dus ook, maar dat was voor ons niet van belang.
Honkbal vonden we wèl belangrijk en zo kwam het dat steeds meer jongens ook buiten school een balletje gingen gooien op dat zandterrein bij het Scheldeplein en - zodra er genoeg mensen waren en materiaal - een partijtje spelen.

Ik kan wel zeggen dat we er vrijwel elke avond waren en dan was het gooien, grondballen nonchalant met één hand opvegen (en het zandland was echt niet egaal) hoge ballen vangen in volle ren, steeds maar weer en tot slot speelden we een paar innings. Tot het donker werd.
We werden goed, heel goed, zeker voor onze leeftijd. Maar dat kon ook bijna niet anders met zoveel trainingsuren. Toen kwam iemand met HET idee : laten we competitie gaan spelen, als buurtclub. De naam was ook gauw gevonden : Riverboys.
Het mocht niet zo zijn. Later in 1941 kwamen de anti Joodse maatregelen van de bezetter, de registratie, de ster, avondklok en aparte joodse scholen. En het einde van Riverboys nog voor het werkelijk begonnen was..........
Wat overbleef is een herinnering aan een groep enthousiaste jongens van rond de 15/16 jaar waarvan een groot aantal niet veel ouder heeft mogen worden.
Een enkeling heb ik na de bevrijding nog wel teruggezien, Hans van Stratum, Sieg Parser, even groetend in het voorbijgaan. We hadden allemaal haast.
Nu, 70 jaar later, wil ik toch nog even de sportvriendjes van toen in herinnering brengen:

Riverboys !!

Ben Okker - 24 januari 2010
digiben (ad) planet.nl

Lees ook: Vijftig jaar Europaplein >>

 

omhoog  STADIONBUURT, EEN KEURIGE BUURT

Wij, de Amsterdamse jeugd van de dertiger jaren, waren in de Stadionbuurt wel erg bevoorrecht. Wat daar niet te doen was! Thuis (huizen met een badkamer, mind you) zowel als buiten. Daar hadden we het zandland bijvoorbeeld. Aan de overkant van het water van de Stadionkade ( nu de Goudkust en Buitenveldert ) was een grote zandvlakte tot aan de de Zuidelijke wandelweg aan toe. Dat heette ook het Zandland en daar zaten zomers moeders met kinderen waarvan sommige ook in het water van de Stadionkade zwommen. Anderen schuwden dat: “kun je ziekte van Weill van krijgen “.

Met de jongens voetbalden we daar. Ongestoord ! Er liepen ook ‘enge mannen’ werd gezegd en inderdaad zag je soms een eenzame figuur vaak met een fits aan de hand achter op het zandland lopen. Misschien wel zedenpolitie, denk ik nu. Toen had de politie nog tijd voor surveilleren.
Dat bleek als we op straat - in ons geval meest op de van Tuyll van Serooskerkenweg 25/1 - voetbalden. Langs de huizen werden we door de bewoners weggejaagd. Maar er waren ook “middenpaadjes” door het grasveld midden op de straat. Die waren breed en aan iedere kant stond zelfs een bank. Als we daar een balletje trapten had niemand last maar om duistere redenen mocht het niet. Als de politieagent heel langzaam kwam aanfietsen stopten we en gingen op de banken zitten, maar hij had het meestal gezien en dan werd de bal (meestal een oude tennisbal) afgenomen en triomfantelijk meegenomen tussen de dubbele stang van zijn politiefiets. Als ik terugdenk moet ik toegeven: ze stonden hun mannetje”.
Honkballen deden wij op het Stadionplein, midden voor het Stadion. Onder het beeld van een sportman ( bijnaam Jan-met-de-handjes ) die de Olympische groet bracht met de opgeheven rechter arm. Zo werd ons tenminste verteld. Nou, dan was Mussert zeker ook een atleet.
Regelmatig waren er wedstrijden in het Stadion, Blauwwit voetbalde er er, verder wielrennen soms achter de grote motoren. Honkbal op de bijvelden.
Wij kenden wel vijf manieren om zonder betalen binnen te komen. Vaak achternagezeten door de suppoosten onder leiding van Chris Berger (ja, de vader van Ellis Berger). Maar ze kregen ons niet te pakken alleen al omdat wij tussen de spijlen van de hekken naar de tribunes door konden. Zij niet.
We hadden ook het Schinkelzwembad. Dat was een kwartiertje lopen maar alleen dat was al een avontuur. Eerst langs de “rietlanden” Dan moest je over de hoge spoorbrug heen. Het treintje naar Amstelveen en Aalsmeer ging er onder door. We stonden soms een kwartier op de brug om op de trein te wachten. En dan van bovenaf proberen in de pijp van de locomotief te spugen !
Het Schinkelzwembad was eigenlijk een soort pier gebouwd in het Nieuwemeer. Daarop stonden badhokjes met deurtjes en jongenskleedkamers en soort lange abri zonder. De pier was in een vierkant gebouwd apart voor mannen en vrouwen (zo heette dat toen nog) en in het midden waren de bassins, een diep en een ondiep. De bodem as gewoon de zandgrond van het Nieuwemeer. Als de wind op het bad stond dreef er kroos en op stille dagen legde de badmeester Kas een hengeltje in het diepe.
Gemengd zwemmen was er geloof ik een paar maal per week maar dan mochten de vrouwen alleen bij de mannen. Andersom was verboden.
Toegangsprijs 3 cent. Mijn moeder gaf ons brood mee, dan was ze ons voor weinig geld een hele tijd kwijt. Bij de ingang zat een badmeester of juffrouw naast een soort geldautomaat, die ook op gemeente bussen gebruikt werd. Een soort glazen spaarpot met een bodem die omgekiept kon worden. Dan viel het geld in een gesloten metalen doos. Ze zagen dus de drie cent liggen en klapten dan de bodem om. Onze truc was met een paar jongens vlak achterelkaar er de centen in te gooien waarbij de laatste een of twee cent achterhield. Dan werd het onoverzichtelijk. Dat geld werd later versnoept bij een kioskje, dat kennelijk voor dat doel er was. Aanbod genoeg voor 1 cent.
In de hongerwinter hebben mijn broer en ik geholpen aan het slopen van de treden van de brug en bielzen van de spoor voor verwarming en koken. Zelf had ik na heel lang werken een biels losgehaald toen een man met een bouvier ( dus een stille smeris, neem ik aan ) me te pakken nam. Ik moest helpen het hout op een fiets te leggen terwijl die hond me bleef aankijken. “Laat ik je niet weer zien” dreigde hij en liet me gaan. Ja, dat was geen smeris of een die het thuis ook koud had, maar wat begin je tegen zo’n hond?
Ik zat op de Spartaschool aan de Stadionkade. Een openluchtschool! Aan de kant waar niet de wind op stond gingen langs de hele wand de schuifdeuren open. Er was vloerverwarming dan het was ‘s winters heerlijk stiekem je schoenen uit te doen en zo je voeten te verwarmen. Er waren dagen dat je je jas mocht aanhouden en dat was wel nodig ook.
Als het vroor gingen we schaatsen op de Stadionkade en soms ook achter het Stadion op de Nieuwemeer. Links en rechts naast de ingang van de school was nog braakliggend land. Voor schooltijd werd daar gevoetbald. Later werden er dure herenhuizen op gebouwd maar ter compensatie hebben wij nog een jaartje op de bouw kunnen rondhangen. Wat me ook bijgebleven is is het feit dat we in de dertiger jaren er een aantal nieuwe scholieren bij kregen die aanvankelijk nog geen Nederlands spraken.
Allochtonen avant la lettre ? Zeker niet: het waren joodse vluchtelingen en Duitsland en plotseling hadden we er een Heinz bij, een Anneliese en een Ralph. Zonder inburgering problemen, Heinz speelde al gauw linksbinnen in ons schoolelftal.
Waren we zulke brave borsten in die jaren? Nou, dat dacht ik niet!
We kenden luilakdag (zaterdag voor Pinkster) Hartjesdag (ik meen derde maandag in augustus), dan had de politie volgens de toen geldende normen de handen vol.
Hartjesdag werd gevierd met vuurwerk. Ik mocht alleen sterretjes kopen maar dat was beneden onze waardigheid. Rotjes, vuurpijlen en zevenklappers, dan telde je mee.
Er waren nog geen standaard vuilnisbakken, ieder had een bak naar eigen keuze.
Nou, wie zo stom was zijn bak buiten laten met hartjesdag herkende zijn eigen materiaal niet meer terug.
Op luilak werd afgerekend met mensen waar wij last van hadden gehad, Die hadden geklaagd bij onze ouders of, nog erger, de politie gebeld voor overlast als wij rustig voetbalde. Nonsens, er brak maar zelden een raam..............
Bij die mensen werden deuren vastgebonden en drukbellen vastgezet met een lucifer die we zo afbraken dat er bijna geen uithalen aan was. Hier en daar werden de traproeden uit een traploper gehaald . Dat ging makkelijk want met een loper (universele sleutel) kon je ieder trapportaal in.
Maar we hadden ook intelligentere spelletjes. Mijn ouders kwamen eens thuis van een feestje met een wonderlijk goed gelijkende rubber hondenhoop. Hij voelde ook nog aan, zoals een echte drol wel zou moeten aanvoelen, dachten we. Tja, dan moet je er iets mee doen. Uit de naaidoos van mijn moeder haalden we wat koperen gordijnringen die we poetsten tot ze blonken. Eén werd voor de helft in de hoop gedrukt en voor de de op de stoep gelegd. Wij natuurlijk boven(we woonden éénhoog) voor het raam naar buiten kijken. Nou, zo leer je mensen kennen.
De stiekemerd stond stil, deed net of hij zijn schoen vastmaakte en pakte met een papiertje de ring en hup, in de broekzak. Maling aan de hoop. goud is goud.
Een nettere stond langer te kijken. Je zag ‘m denken: tja, goud is goud maar die vieze drol. Bah. Zakdoek uit de zak, tussen duim en wijsvinger de ring gepakt, pakketje dichtvouwen en in de zak.
En dan het makkelijke type. Heee, een gouwe ring. Kan mij die drol schelen, daar helpen water en zeep straks wel tegen. Oppakken en wegstoppen.

Ja, ook in de keurige Stadionbuurt was gevarieerd publiek.

Ben Okker - 25 januari 2010
digiben (ad) planet.nl

 

omhoog   JUFFROUW POTJEWIJD

De eerste schreden die tot mijn niet geringe ontwikkeling hebben geleid waren op de voorbereidende school in de Agamemnonstraat. Het “kakschooltje” van juffrouw Potjewijd. Geloof me of niet, zo heette die dame werkelijk.

Vijfentwintig jaar later ging mijn zoon naar datzelfde schooltje. Dat had een upgrading ondergaan, het had nu een naam: de Blauwe Reiger.
Vervolgens kwam, ik vertelde het reeds, de Spartaschool, de “openluchtschool voor het gezonde kind”. Dat klinkt als “voor kneusies geen plaats” maar dat lag in de praktijk toch wel anders.
Mijn eerste onderwijzeres was juffrouw Wilmes. Wat ik me van haar herinner is dat ze je oor beetpakte en een halve slag ronddraaide als zij vond dat je vervelend was. Aan mijn oren te zien was ik dat klaarblijkelijk vaak.
In de laatste twee klassen kreeg je een meester. Maar dat veranderde. Als hoofdonderwijzer hadden we meester Spigt, een ouderwetse man met een sikje en met bijbehorende denkbeelden.
Onze school was gelegen tussen de (Christelijke) Moria School en de (ook openbare) Olympiaschool. Toen beide buurscholen ijsvrij hadden gingen wij naar meester Spigt voor gelijke rechten. Die zei slechts: “ik heb een brede rug” en draaide zich om om dat te demonstreren. In de klas hadden we meester de Moor en aan de school was ook een stoker verbonden (vloerverwarming 'n radiator was zinloos voor de open zijwand) die we ook met stoker aanspraken.
Tot meester Spigt eind 1939, ons laatste schooljaar met pensioen ging en door ene meester Heyboer als ‘hoofd’ werd opgevolgd. Die deed meteen energiek de ronde: “je hebt een meester timmerman en meester metselaar maar onderwijzers worden met mijnheer aangesproken”. Juf kon ook niet meer: juffrouw. Ook de stoker werd mijnheer Angelon, die naam hoorde ik toen na 5 jaar voor het eerst. Heyboer had het meteen bij ons zesde klassers gedaan.
Mijnheer Heyboer ging verder. Al die onhebbelijke streken op b.v. luilakdag moesten ook afgelopen zijn. Om (meen ik) 6 uur ‘s morgens op de zaterdag voor Pinksteren moesten we bij school verzamelen om gepast luilak te vieren.
‘Dat kan hij niet maken’ vonden wij 6e klassers en na elkaar opgejut te hebben ‘dat vertikken we, onze eigen , daar heeft hij niets over te zeggen.’
We waren het echt van plan te boycotten maar of we het op het grote moment ook gedurfd hadden............ ??
Niemand zal dat ooit weten. Die ochtend was iedereen vroeg uit bed want het was zaterdag 10 mei 1940 , de dag van de Duitse inval.
Toen wij veel later zelf weer in de Stadionbuurt kwamen wonen ging mijn zoon - de geschiedenis herhaalt zich - naar de Spartaschool.
Mijnheer Heyboer was er nog schoolhoofd, juffrouw Wilmes was met pensioen maar kwam daar nog wel op speciale dagen.
Ik sprak haar een keer met mijn misschien 7 jarige zoon.
“Als hij bijles nodig heeft weet je me te vinden, hè?” zei ze en voegde er aan toe: “je hebt toch goede herinneringen aan mij?”
Ik kon het niet laten en heb haar aan mijn verdraaide oren herinnerd......... Misschien niet aardig maar zeker wel juist.
Hoe was het leven verder in de dertiger jaren? Voor ons leuk en zorgeloos. We speelden op straat, ik noemde al luilak- en hartjesdag, voetbalden op het zandland en in het schoolelftal.
Vooral de straat was het land van avontuur.
“Bakkie achter” was de kreet als er een b.v. groenteman met z’n paard en wagen aankwam. Dan gingen we achter aan die kar hangen en reden mee. Dat werd later ook met vrachtauto’s gedaan, maar dat was linke soep. Ik heb een keer een half uur terug moeten lopen omdat de man zo snel reed dat ik er niet meer vanaf durfde te springen.
Achter de ziekenauto aan: kijken wij er gehaald of gebracht werd.
Voor mijn broer en mij een extra attractie: een oom reed als verpleger op zo’n ambulance en als die ons zag en aansprak waren de jongen stink jaloers. De straat muzikanten: de Volendammers b.v. echt of niet, ze waren in wijde broeken en op klompen. Er was een straatzanger met accordeon die opera’s speelde en zong. Dan gingen de ramen open en werd veel kleingeld (in een papiertje) naar beneden gegooid.
Later stond ik eens op lijn 6 op de Overtoom en daar kwam die zanger aangeschoten de tram op. “Man, zonde van je geld” zei de conducteur vermanend, want iedereen kende hem. “Eén uurtje met Martha langs de gracht, ik heb het weer verdiend”, zei onze zanger.
Aan de roep kon je alle venters herkennen.
Helemoniepotteghonie” was een bloemenman die begonia’s in de pot verkocht. “Bolletjebol” verkocht Berliner bollen, hij voegde er nog aan toe: “lekker bij de koffie,lekker bij de thee”. Er liep ook een man met hoedendozen, een met zure bommen.
Er liep ook een venter met de zondagskrant, de Cetum.
Als hij riep de Cetum riepen wij : steek ‘m in je zak en vergeetum.
Hij werd iedere keer weer kwaad terwijl wij toch nòg meer aandacht op hem vestigden.

Tja, we leerden al vroeg: ondank is ‘s werelds loon.

Ben Okker - 27 januari 2010

 

omhoog  STILSTAANKRIJGERTJE OM DE PISBAK

Toch nog maar even op straat blijven, er was zoveel te beleven in de Stadionbuurt.
Mijn broer en ik waren bekend als de Okkertjes, maar we waren niet uniek hoor. Je had de Snotjes (dat waren er drie) rooie Appie, rooie Cor, dikke Merel, Odol Paul (zijn nek en hoofd houding leken op het bekende Odolflesje) ga maar door. Het lijkt nu op penoze maar als er al kwaad bij zat dan was het kattenkwaad.

Op het Stadionplein waren de twee bekende grote kiosken, de Vami huisjes. Maar er waren ook twee hele grote urinoirs. Multibakken, ik denk wel 6 bij 6 meter, smalle ingang en hier en daar in de houten zijwand een laag gat, waarschijnlijk de luchtverversing. Gebouwd vermoed ik voor de Olympische Spelen. Het was een van de dingen die je niet thuis aan tafel vertelde natuurlijk maar daar speelden we “stilstaankrijgertje om de pisbak” Tja, we waren als jeugd niet veeleisend !
Voor het Stadion stond het beeld van “Jan-met-de-handjes” op een stenen sokkel, zo’n 60 cm breed schat ik nu. Daarop hadden we met krijt een horizontale streep getrokken op knie en op schouderhoogte schouderhoogte. Je kon dan honkballen zonder catcher. Buiten de streep was een wijdbal, er tussen slag. Aan één werper en een slagman had je genoeg om te trainen, was je met meer dan werd er al gauw een partijtje gespeeld. We hadden er zelfs vaak toeschouwers, ook “echte honkballers”. Ik herinner me o.m Wim Geestman, werper van Quick, misschien de eerste Nederlandse honkbalclub.
Als we uit school kwamen moesten we ons - terecht - eerst thuis melden. Dan lag er meestal een boodschappenbriefje klaar. Het was in de jaren dat mensen zich nog realiseerden wat geld inkoop kostte. Dus voor “twee biefstukjes van een ons” mochten we niet naar slager van de Werff of slager Broekhof, die beiden in onze straat zaten, maar moest ik b.v. naar Lotgering, op de Stadionweg bij de Sintelbaan. Verder stonden Tabak (groenteman) in de Amazonenstraat en de P.Gruyter (“Piet de dief”) in de Achillestraat vaak op het lijstje. Die laatste gaf namelijk op 10 gulden bons een gulden terug en zo spaarde moeder. Ik zie overigens die rode bonnetjes nog voor me.
Die winkels waren de moeite waard. Langs de toonbank meestal een rij koekblikken met glazen deksel. Dan kon je likkebaarden. Brusselse kermis, knappertjes, Maria, Lange Vingers, Café Noir, ga zo maar door. Achter de toonbank langs de muur veel open vakken met losse handel. Je werd uiteraard geholpen en de kruidenier woog dan alles af: half pondje suiker? Gewone, bruine of basterd suiker? Koffie in talrijke soorten. In open vakken bruine bonen, kapucijners, gedroogde appeltjes, gedroogde pruimen.
Dat brengt me tot slot op een mooie herinnering: Rooie Appie had twee witte muizen thuis in een doos. Waarschijnlijk op een zolderkamer want zijn moeder was de zaak al geruime tijd uit het oog verloren. Toen ze er weer zich op kreeg bleken het er minstens een dozijn te zijn en dat bood weer mooie perspectieven voor een verder groeiende populatie. “Die dingen de deur uit” moet ze gezegd hebben, en op Appies “hoe?” moet gevolgd zijn: ”kan me niet schelen als ze maar weg zijn”. Er werd buiten met de jongens vergaderd maar niemand kon er mee thuiskomen.
Maar jongens vinden oplossingen, altijd. Met z’n allen werd er na winkelsluiting geslopen naar de Vana, (afscheiding van Van Amerongen) de kruidenier van Tuyll van Serooskerkenweg / Jasonstraat en door de brievenbus werden voorzichtig één voor één de muizen door de brievenbus gegooid. Volgens de daders zijn ze in gesloten gelederen naar het vak met bonen zijn gelopen : ze waren in luilekkerland !

Ben Okker - 28 januari 2010
digiben (ad) planet.nl

 

omhoog  10 MEI 1940

Waardoor, kan ik me niet meer herinneren maar een feit is: we werden allemaal heel vroeg wakker. Lawaai op straat: iedereen was al op de been. Je hoorde radio’s met een ernstige mannenstem: “bericht luchtwachtdienst . . . . ” en uit het raam van ons slaapkamertje (achter in de woning Jasonstraat 16) zag je richting Schiphol rook opstijgen.

De moffen waren de grens over gestoken en meer nog: op verschillende plaatsen waren parachutisten gedropt uit die lompe Ju 52 toestellen. Ik was 13 jaar toen en me is bijgebleven dat ik de straat op ben gegaan maar toch vrij dicht van ons huis ben gebleven.
Oorlog: wat dat was wisten we een beetje van de foto’s van China, toen het in oorlog met de jappen was en vanuit Spanje: de burgeroorlog. Daar stonden vernielde steden op en puinhopen. Toen ik op het Stadionplein liep en naar de huizen om me heen keek dacht ik daar aan.
De sirenes gingen loeien bij luchtalarm, maar die werden waarschijnlijk bediend door een nerveus type: vaak zagen we niets en kwam er niets en kwam na korte tijd weer het signaal voor veilig: één lange gerekte giltoon. De eerste keer dat we ‘s nachts luchtalarm hadden nam mijn vader resoluut de leiding. “Allemaal de badkamer in”. Dat zou de maximale bescherming geven door de granieten vloeren boven ons. Een voordeel van de eerste verdieping !
Over het verloop van deze oorlog is op andere plaatsen en momenten zeer verantwoord en in chronologische volgorde geschreven. Ik schrijf verder uit mijn herinnering zonder de juiste volgorde der gebeurtenissen na te slaan. Wel herinner ik me dat na de capitulatie van ons land ik voor het eerst geconfronteerd werd met een bericht dat een Duits/Joodse familie op de Stadionweg zelfmoord had gepleegd. Alle gaskranen in de keuken waren open. Zij hadden al hun ervaring met de nazi’s !
Na de intocht van de moffen werd o.m. Spartaschool door ze in gebruik genomen en onze klas moest naar de Cliostraat. In mijn herinnering veranderde er aanvankelijk niet veel, buiten de aanwezigheid van de bezetter dan. De troepen marcheerden zingend door de straten: “und wir fahren gegen Engeland” in strikt marstempo. Wij jongens riepen er dan achteraan: ”plons, plons, plons” in hetzelfde ritme. Er kwam een totale verduistering, censuur (kranten) en steeds meer artikelen verdwenen uit de winkels.
De NSB-ers zagen hun koren bloeien en marcheerden in zwarte outfit en laarzen ook zingend (misschien een toontje lager) gelijk de grote broers. Zij vormden de WA (Weer Afdeling) en zongen; “De WA marcheert, voor Volk & Vaderland” Ja, je moet ergens voor marcheren.
De WA koos meermalen een route door de joodse buurt, sloeg er graag op los als men alleen al kritiek vermoedde en dar leidde tot de dood van één van de zwarthemden: Koot.
Hierover is voor belangstellenden veel documentatie op I-net te vinden, ook de oude politiearchieven en stadsarchief Amsterdam.
Ook de jeugd liet zich niet onbetuigd De NSB jongens en meisjes kwamen in de jeugdstorm en werden ervan overtuigd dat de toekomst aan hun was. Men sprak van de Nieuwe Orde. (Lege borde, zeiden wij andersdenkenden dan.)
Op het Roelof Hartplein was Huize Lydia en daarin werden moffenmeiden (onze aanduiding) ondergebracht, die voor de weermacht werkten. Ze schenen een uitgebreidere taak te hebben dan alleen kantoorwerk, want er raakten er nogal wat in verwachting. Daar werd voor gezorgd in de Boerhave Kliniek, die door de Amsterdammers al gauw Baarhoeve Kliniek werd gedoopt.
De avondklok kwam ook, iedereen moest om 8 uur binnen zijn.
Samenscholen was verboden. Ook begonnen de maatregelen tegen de Joden. Café’s, bioscopen enz. : verboden voor joden.
Op de tram: alleen staand op het voorbalkon. En men moest zich melden als men één of meer joodse grootouders had.
Nou, die had ik. Twee, die ik nooit bewust gekend heb omdat ze resp, in 1927 en 1928 waren overleden en ik december 1926 was geboren. Dat betekende tevens dat mijn vader onder de rassenwetten viel en aanvankelijk thuis kwam te zitten. Hij was vindingrijk en begon sigaretten te maken.
Tabak, clandestien gekocht uiteraard. Omdat hij 'every inch a gentleman' was ( ja, de appel valt .....) draaide en likte hij niet maar werkte hygiënisch. Hij kocht hulzen met mondstuk (i.p.v. vloeitjes) en had er een langwerpig metalen apparaatje bij dat je open kon klappen. Shag er in, als een injectienaald in de papierenhuls, terugtrekken maar met de duim de tabak tegenhouden en bingo, een sigaret. Even het pluimpje shag aan het eind keurig afknippen en dat weer gebruiken voor verdere productie. Het spul werd geleverd door Yohaï.
Lijkt me een joodse naam, nou dan waren de sigaretten misschien nog kosjer ook.

Ben Okker - 28 januari 2010
digiben (ad) planet.nl

  

omhoog  MIDDELBARE SCHOOL

Hoe ging het in die periode op de 4e 3 & 2e OHS? (=Openbare Handelsschool, red.) U weet wel de twee middelbare scholen in de P.L.Takstraat. Z’n gangetje zeggen we dan. Beiden zaten samen in één gebouw dus hadden variabele tijden. Af en toe begon je om 8 uur ‘s morgens en op andere dagen later en eindigde je tegen 6 uur. Aan het hoofd stond dr. D.M.E. Habbema, zijn vakgebied was Engels maar hij gaf niet regelmatig les.

Dr DME had de gewoonte te snuiven en daarna een geluid te maken dat klonk als “gom”.
Was er een leraar niet, dan viel hij wel in en probeerde ons duidelijk te maken, hoe weinig we eigenlijk wel wisten. Snif-gom. We hadden figuren in de klas die uitstekend hun lachen konden inhouden en hem duidelijk hoorbaar na sniften en gomden. Dan had ik het heel moeilijk.
Verder kenden we “Jopie” Bolen, Nederlands, mej. dr Dalhuisen wiskunde (de dakluis) Sjappie (z’n naam ben ik kwijt) voor Engels en natuurkunde van dhr Stracke. Die had (toen al, mind you) een klein verticaal snorretje onder de onderlip, vandaar de bijnaam “de slurf”. Rooswinkel (voor gym) was kennelijk in de tropen geweest. Als we op één fluitsignaal moesten rennen, op twee moesten springen en op drie moesten bukken (snel achter elkaar) en het liep uiteraard mis dan zei hij subtiel ”inlanders kunnen tenminste nog tot 3 tellen, satoe, doea en tiga. Alles wat meer is heet banjak, veel. Jullie zijn stommer dan inlanders”. Waarvan akte.

Op een dag stonden er toen de school uitging een aantal jeugdstormers buiten met hun lijfblad ‘de Stormmeeuw’ of zoiets. Ik weet het niet zeker meer, maar het was wel een niet zindelijke vogel. Wij vertikten om het blad aan te nemen, er werden opmerkingen gemaakt over en weer en de heren waren in de minderheid toen het knokken dreigde te worden. Ze deden hun naam eer aan, ze stormden, weg, dit maal. Een paar dagen later hadden jongens die bij het raam zaten het al gezien: er stonden dit keer een heleboel jeugdstormers buiten. Het ging van mond tot mond en we waren er klaar voor. Maar dat feest ging niet door. Dr. Habbema deed de rond en deelde ons mede: “jullie (snif/gom) mogen in kleine groepjes naar buiten. Eerst verzamelen in de hal. Tja, je kunt niet altijd winnen maar ditmaal was het besluit niet onverstandig.
Maar we hadden geluk, geen van de leraren was “fout”,
Even voor nieuwkomers:” pro Duits was fout”.

De mof deed ook aan geschiedvervalsing. Al onze geschiedenisboeken (òns eigendom, want je moest ze kopen, nieuw of gebruikt op de boekenbeurs) werden ingenomen en kwamen gecensureerd terug. De Duitse rol in de geschiedenis werd herschreven. Het aantal Franse en Engelse lessen werd teruggebracht, daarvoor kwam Duits in de plaats. Op een dag moesten we allemaal onze agenda op de bank (ja, we hadden geen tafels maar solide banken, geen DSB) . In de Tjeenk Willink agenda stond voorin geen bloot mokkel maar een portret van H.M. Koningin Wilhelmina . Dat werd er uit gescheurd.
Toen de eerste anti Joodse maatregelen kwamen moesten al snel de joodse leerlingen en leraren van school af. Dat betekende voor onze klas dat we o.m. Boebie Moscou, André Herzberger, Robbie Mansfeld, Stephan Koester, Ralf Blumenthal en Willy Loewenthal kwijt raakten en ik mijn honkbalmaatje Sieg Parsser uit de parallelklas. Ze gingen naar de joodse HBS op de Mauritskade. Hoe het precies zat weet ik niet meer, maar later was ook de tram en (denk ik) de fiets verboden voor sterdragenden, want je zag veel “grote” jongens en meisjes op de autopet naar school gaan.

Waar de kennis vandaan kwam, Joost mag het weten, maar de huisvrouwen bleken onder de steeds verslechterende omstandigheden multifunctioneel.
Toen er nog eieren te koop waren werden die zoveel mogelijk ingelegd in (meen ik) waterglas. Ze zaten bij ons thuis in een emmer met die geleiachtige substantie en bleven inderdaad héél lang goed. Er kwam ook een grote inmaakpot thuis: witte kool werd gesneden, telkens een laag kool en dan een laag zout in de pot. Als de pot vol was kwam er een plankje bovenop en een zware steen, een “kinderhoofdje.” En ra ra, wat maakte je dan met die witte kool ?: In één keer goed: zuurkool.
Die steen “sprokkelden” we ergens op straat, want stelen mochten we niet van onze ouders.
Was er nog sprake van humor in die jaren ? Reken maar van yes ! Ook later, toen het pas echt slecht werd !
Om U te overtuigen een paar voorbeelden:
Een van de toppers uit Duitsland naast Hitler, Goering en Goebbels was Rudolph Hess. Die vluchtte op een gegeven moment met een vliegtuigje naar Engeland. Waar hij overigens wel werd opgesloten.
Wat werd verteld: “ Hess had zijn collega’s een telegram gestuurd:
Plenty to eat, plenty to smoke,
Doe net zo mesjokke als ik
Kom ook.

De in ons land benoemde Rijkscommissaris Seyss Inquart (een Oostenrijker) liep mank. Dit was gauw verklaard.
Zes-en-een-kwart (zijn nickname) had geen kruis in zijn broek maar een hakenkruis. Nou moest hij telkens over dat haakje heenstappen !

Ben Okker - 29 januari 2010
digiben (ad) planet.nl

 

omhoog  HET DAGELIJKS LEVEN IN DE JAREN DERTIG

Even het verhaal rond de bezetting onderbreken om nog wat meer te vertellen over het dagelijks leven einde van de jaren 30.

Het was druk aan de deur. De melkboer kwam langs, meest met een soort bakfiets met daarop twee grote melkbussen en in het midden een kastje voor kleinere zaken, pakje boter, eieren en flesjes melk, yoghurt en karnemelk. De meeste huisvrouwen kochten de melk los, per liter of halve liter want dat was goedkoper dan per fles. Ondanks het feit dat je statiegeld terugkreeg. De melkboer liep overal de trappen naar één, twee en driehoog om soms de mededeling te krijgen: ”nee melkboer, vandaag niet”. Hij had dan een een metalen melkbus bij zich, inhoud 10 liter schat ik nu, plus zijn metalen ‘maatbeker’ waar een halve liter in ging. De huisvrouw lette wel op dat hij die goed vol had en recht hield, je moest niets tekort komen. De rauwe melk moest gekookt worden - dan kwam er een vel op waar je bijna op kon lopen, anders was het - zei men - ongezond.

Met een mooie bruine handkar met een grote deksel kwam de bakker. Halve, hele bruine broden en broodjes in soorten: kadetjes, puntjes, luxe broodjes enz. Tegen de hongerwinter liepen er nog wat bakkers met een politieagent naast hun kar.
De bode kwam ook aan de deur. Je verzekerde je voor de onverhoopt noodzakelijke uitgaven: het begrafenisfonds (ook dooiefonds) ziekenfonds, brand & inbraak en bij mijn grootmoeder werd ook de premie voor de ANDB opgehaald, de vakbond voor diamantslijpers. Allemaal weekpremie’s. En (hier spreken kwade tongen) men hield zich wel eens een keer ‘niet thuis’ als het slecht uitkwam.
Er was ook de groenteboer (het waren allemaal boeren valt mij nu op), die had bij ons paard en wagen. Enorme Belgische trekpaarden met een achterwerk als een wereldbol stonden er voor de vuilniswagen.

Dat brengt me toch weer op een staaltje van “humor in slechte tijden”. Heel lang liepen nog paarden van deze afmeting voor de wagens van de brouwerijen. Toen voedsel schaars werd stond eens een iel mager mannetje met ingevallen koppie in extase naar die gigantische brokken vlees te kijken. De voerman kwam, sloeg het knol met platte hand op de bil en vroeg: ”zou je hier niet een stukje uit lusten?”. Het mannetje knikte waarop de oprechte Amsterdammer zei:” dan moet je wachten tot hij gaar schijten......”

Verder maar weer. Bij ons kwam ook de kippenboer, een man van buiten, die niet alleen kippen verkocht maar ook hele verse eitjes meenam.
Die bij ons werkte op bestelling. Mijn moeder gaf op: volgende week een soepkip. Dat was een kip op jaren die eigenlijk als eierfabrikant z’n geld al had opgebracht.
Maar gekookt in de soep was er nog wel enige souplesse in te brengen. Nu mag ik het wel vertellen, denk ik, maar die kip werd bij ons niet alleen voor de soep gebruikt: de volgende dag aten we het inmiddels zacht gekookte kippenvlees bij het eten.
Vrouwen moesten vindingrijk zijn. Dat gebeurde met soepvlees ook: dag één een lekker soepje trekken, dag twee werden er echt overheerlijke kroketjes gemaakt met het inmiddels zachte vlees. Voor al deze bereidingen stond in de keuken een één pits, tweepits of zelfs driepits oliestel te branden. Maar met enig onderscheidingsvermogen kon je toch ruiken wat er gegeten werd. Op zo’n pit stond soms wel urenlang de kip te “trekken” en dat heette in het jiddisch een sjaletpot. Mijn evangelisch Lutherse moeder die vroeger kennelijk van de vele jolige broers van mijn joodse vader vader taalles had gehad noemde mijn vader als hij ‘s morgens niet opschoot met toilet maken in de badkamer (er waren 4 wachtenden nà hem) dan een sjaletpot.

Ook de schillenboer kwam een paar keer in de week. De aardappelschillen, oud brood en ander overgebleven eten nam hij mee. Meestal een keuterboertje die voor zijn varkentjes of wat voor vee dan ook gratis voedsel had. Soms werd met het legen van het schillenbakje in de jutezak van die man het aardappelschilmesje mee gegooid, maar je kon de schillenboer altijd om een mesje vroegen.
We hadden een vieze schillenman met een stinkende kar. Als je de boel niet schoonmaakt en altijd etensresten vervoert tja en dat in een tijd zonder geurvreters...... Hij liep mank, stonk zelf ook maar floot altijs vrolijk tussen de resterende tanden. “Sjieleman” was zijn herkenningsmelodie als de deur openging. Hij sloeg zijn paardje en had een zweep waar alleen de stok nog van over was. Dat hebben wij toen geregeld.: de zweep gepikt toen hij ergens in een trapportaal stond, gebroken en weggegooid.
We hadden ook goede trekjes.

Tot zover de ambulante handel. Even naar de werkelijkheid van dat moment.
Op de hoek van de Jasonstraat/Stadionweg bij het eindpunt van lijn 24 was een bloemenstalletje van Abraham van Emden. Zelf woonde hij Jasonstraat nr. 10 huis.
Ze hadden vier kinderen waarvan ik me de tweeling Loekie en Jenny als generatiegenootjes (zij waren van 1928) het beste herinner. Oppassende zuinige mensen en vader had het net in die tijd voor elkaar: hij verruilde zijn stalletje in de buitenlucht voor een winkel: Jasonstraat hoek Amazonenstraat tegenover bakker Broersma. Dit heeft niet lang mogen duren....... In juli 1943 beëindigden de hunnen hun leven in Sobibor.

Deze digitale gedenksteen plaats ik ter nagedachtenis aan het gezin Abraham van Emden, gewoond hebbende Jasonstraat 10 huis te Amsterdam

Abraham van Emden »
Amsterdam, 20 januari 1888
Sobibor, 2 juli 1943
Gezinshoofd
Heintje van Emden-Vuijsje »
Amsterdam, 29 september 1889
Sobibor, 2 juli 1943
Echtgenote
Louis van Emden »
Amsterdam, 26 juni 1928 Sobibor, 2 juli 1943
Zoon
Nico van Emden »
Amsterdam, 19 mei 1925
Sobibor, 16 juli 1943
Zoon
Jenny van Emden »
Amsterdam, 26 juni 1928
Sobibor, 2 juli 1943
Dochter
Joost van Emden »
Amsterdam, 10 mei 1914
Auschwitz, 26 april 1944
Zoon

Ben Okker -  1 februari 2010
digiben (ad) planet.nl

 

omhoog  WANDBORDJE

Het was, herinner ik mij, een geschenkje van iemand die het goed met ons meende. Zo tegen het midden van 1942 toen de gevolgen van de bezetting meer en meer merkbaar werden, vooral in de grote steden in het westen van het land. Toen, bovendien, mijn vader een ster moest dragen niet meer mocht werken maar wel voor het uit 5 personen bestaande gezin moest zien te zorgen.

Het was een houten plankje waarin de tekst gebrand stond: “ook dit gaat voorbij”.
Mijn moeder hing het op, mijn vader had niets met gereedschap. Dat was overigens dus ook nooit in huis maar mijn moeder gebruikte theelepeltjes als schroevendraaiers (voor de stekker van de stofzuiger bijvoorbeeld) en schoenen als hamer. Met een platte hak en een spijker hing ze toch vrij zware schilderijen op.
Het houten plankje aan de muur hangen kostte haar totaal geen moeite. Als je binnenkwam viel direct het oog er op: “ook dit gaat voorbij”.
We hadden toen nog drie lange jaren te gaan. Alles had toen een naam. Het huwelijk van mijn ouders was bijvoorbeeld een “Mischehe”. Wisten  die moffen veel wat mies was! Wij wel! Wat we ook wisten is dat dit voorbij zou gaan, daaraan herinnerde ons het bordje.

Wij thuis verdeelden ons over de voedsel-rijen: de visrij op het Stadionplein, in de rij bij de groenteman Tabak in de Amazonenstraat en later zelfs bij dat karretje van de man die klop-op en water verwerkte tot een soort slagcrème. Voor de nodige druk om te kunnen spuiten was een fietspomp aan het apparaat verbonden. Het wagentje werd overigens “de gouden koets” genoemd wegens zijn enorme omzet.

Ik dook onder in een jachthaven in Aalsmeer en daarna kwamen de hongertochten naar de kop van Noord-Holland. Wat we thuis hadden verdween successievelijk, om geruild te worden voor b.v. tarwe, waar we de koffiemolen total loss op draaiden. Van de gemalen tarwe maakten we pap - met water - en “platters”. Dat waren ballen meel met water die we platdrukten en bakten op de plaat van het noodkacheltje.

De woning werd steeds leger, alles van waarde werd geruild maar het bordje bleef hangen. Ook dit gaat voorbij, daaraan mocht niet getornd worden.
We moesten er op uit op hout te stelen voor verwarming en brandstof in het noodkacheltje. Bomen stonden er al niet meer in de Stadionbuurt in Amsterdam maar onder de rails van het treintje naar Aalsmeer lagen nog wel bielzen! Het kostte mij uren om er een los te krijgen, toen kwam een “stille” met zijn hond en liet me de biels op zijn fiets leggen.
Daarna mocht ik vrij gaan: hij had thuis weer hout!
Alles wat branden kon in huis was al verstookt. Niets was makkelijker geweest dan “ook dit gaat voorbij” even van de verder akelig kale muur te halen en voor het kacheltje te gebruiken! Geen denken aan! Dat bordje beloofde ons immers betere tijden.

Op Dolle Dinsdag vluchtte mijn vader uit een werkkamp in Grote Keten, kreeg een vals pb (dat was de naam voor het persoonsbewijs) en dook onder.
De ergste winter moest nog komen. De hongerwinter van 1944. We kwamen er door: mijn vader, mijn moeder, de drie zoons en het bordje thuis in de bijna lege woning.

In mei 1945 kwam de bevrijding. Groot feest!

Wie het deed weet ik niet meer, maar een van mijn ouders zei: “zo, nu kan dat bordje weg!” We hadden toen onze vrijheid terug en meer kon je niet wensen. Zoiets mocht nooit voorbij!

Op 5 mei is dat 65 jaar geleden. Voorbij maar - zoals U ziet - toch niet vergeten.

Ben Okker -  1 februari 2010
digiben (ad) planet.nl

 

omhoog  HET MASKER AF

Binnen het jaar toonden de moffen hun ware gezicht. In februari 1941 vond er een razzia plaats waarbij een paar honderd joodse jongens werden opgepakt en via kamp Schoorl uiteindelijk naar Mauthausen werden getransporteerd.

Hierbij was mijn neef George Okker. Nog voor het einde van het jaar leefde er niet een meer. George was 19 jaren jong !
Navolgend mijn toevoeging aan zijn vermelding op het
Joods Monument www.joodsmonument.nl/person/304205 

George Okker ging naar de Ulo, waar hij Frans en Engels leerde. George werd kantoorbediende en was lid van een banjoclub. Hij werd in februari 1941 gearresteerd. Hij behoorde tot de groep joodse mannen die als represaillemaatregel voor ongeregeldheden in Amsterdam werd opgepakt. Op het moment van zijn arrestatie stond George Okker op het punt om te gaan vissen. Hij had geen idee waarom hij mee moest. Men vroeg zich af of hij opgepakt werd omdat Nederlands-Indi�, waar hij geboren was, ook in oorlog was. George Okker werd naar kamp Schoorl gebracht en vervolgens naar Buchenwald en Mauthausen.
Van George werden twee brieven ontvangen. E�n van 1 augustus 1941 waarin hij onder meer schreef: 'ich denke oft an Haus und an Homoet'. Homoet was de bakker, in de Tweede Jansteenstraat 64-66.
De tweede brief was van 31 augustus 1941. Het kleine briefformulier was toen niet half volgeschreven. Daarna kreeg de familie te horen via de huisarts, door een van de buren ingeschakeld, dat George overleden was.

Zelf heb ik via enig inzicht gekregen in zijn dossier (dat sehr pünktlich werd bijgehouden). Hierin stond dat:
Hftl. 1266, Hftl.Art.: Jude 12.09.1941
Stunde 14.00, overleden was
Ursache: septic Angina.

Om enig inzicht te krijgen in het veroorzaakte leed nodig ik u uit om ook eens kennis te nemen van het wee van de verdere drie leden van deze familie:
Klik hiervoor op de namen van deze digitale gedenksteen.

Arnold Okker »
Amsterdam, 25 mei 1883
Amsterdam, 22 januari 1943
Gezinshoofd

Annette Okker-Okker »
Amsterdam, 23 augustus 1892
Sobibor, 23 juli 1943
Echtgenote

George Okker »
Samarinda, 14 november 1921
Mauthausen, 12 september 1941
Zoon
Josephine Okker »
Balikpapan, 24 februari 1919
Auschwitz, 3 september 1943
Dochter
Simon Okker »
Amsterdam, 31 mei 1890
Sobibor, 20 maart 1943
Gezinshoofd
Geertruida Okker-de Leeuw »
Rotterdam, 20 februari 1893
Sobibor, 20 maart 1943
Echtgenote
Maurits en Berendina Okker
18 maart 1944,
Auschwitz
Leman Okker
8 okt. 1942,
Auschwitz
Max en Schoontje Okker
7 dec 1942,
Auschwitz
 

Mijn ook Simon en tante Truus (Geertruida de Leeuw) woonden in de Rijnstraat 56. Het echtpaar was kinderloos. Oom Simon was makelaar roerende goederen en veilde vaak kostbare inboedels. Tante en oom hadden een kostbare inboedel (voor die tijd) mooie meubelen en perzen op de vloer. Bovendien hadden ze heel aparte snuisterijen, dingen die je normaliter weinig zag.
Wat mij als kind vooral is bijgebleven was zijn toilet-rol-houder. Dat was een speeldoos en als je er een velletje aftrok pingelde er een vrolijk muziekje. Onnodig te vertellen dat na mijn bezoek aan oom en tante en meer nog aan hun toilet er geen papiertje meer op de rol zat. Tante Truus en oom Simon werden omgebracht in Sobibor op 20 maart 1943.
Recent vond ik op Google een vermelding van oom Simon: Ik neem aan zijn laatste optreden als makelaar.

Ben Okker -  2 februari 2010
digiben (ad) planet.nl

 

omhoog   SCHAARS

Omdat de bezetting al vele malen historisch en chronologisch verantwoord is beschreven zal ik mij beperken tot wat herinneringen uit onzer Stadionbuurt die mij nu terugdenkend nog te binnen schieten.

De Winterhulp (Winterhilfe). Zo’n Duits verzinsel waar bij geld ingezameld werd voor door de bezetter geselecteerde doelen “die het nodig hadden”. Dat ging (heel slim) door een serie relatief dure postzegels (verzamelaars van “Nederland en Koloniën” moesten die wel kopen om compleet te blijven) en ook opdringerige collectes. Al gauw deed de slogan de ronde: “geen knoop van mijn gulp, voor de winterhulp”.
Mazzel dat er nog geen ritsen waren op die plaats.

In het naamgeven was men erg knap. De zaklantaarn zonder batterij van Philips werd aangedreven door een pompende handbeweging, dan werd er stroom opgewekt zoals bij een fietsdynamo. Je kneep er als het ware in dus: knijpkat. Je kneep de kat in het donker.
Sigaretten, roken, daar kon je kennelijk niet buiten, vooral toen. Er werd eten voor sigaretten geruild. Rookte er iemand een goeie sigaret en gooide hij een peuk weg van meer dan één cm: meepakken, openmaken en van drie van die peuken was wel 1 sigaret te draaien. Dat gebeurde ook wel door peuken van straat te rapen. Dat heette dus; bukshag.

Schoenen, leer, niet meer te krijgen op het laatst. In het begin was er nog de “schoenenbon” waarop je tegen betaling uiteraard een paar schoenen kon kopen. Om het schoeisel te sparen werd er zoolbeslag gebruikt: dat konden platte stukken netaal zijn die bij de rand van de hak en de neus van de zool (de kwetsbare punten) er op geslagen werden. Maar er waren ook een soort spijkers met een dikke ronde kop die in de zool en hak geslagen werden, zodat je in wezen op die metalen koppen liep. De naam: moffenkoppen.

Alle schaarse artikelen (dus bijna alles) werden vervangen door surrogaten, Thee zetten ? Daarvoor hadden we een tabletje, dat - hoe geniaal - Santé heette. Wij wisten: santé n’est pas sans t, mais maladie est sans t .
Surrogaat sigaretten heetten ‘Blazertjes’. Daarvan werd verteld dat ze best gezond waren “als je maar blijft blazen’.

Maar de laatste winter, die van ‘44, toen was de chaos compleet. Er stierven mensen langs de weg (op hongertocht) meer dan er begraven konden worden en er lagen overledenen
o.m. in de Nieuwe Kerk. Houten kisten waren er niet en àls je er al één kon krijgen dan bestond die uit een ruw houten bodem en deksel met kartonnen zijkanten. Er werd verteld dat bij een begrafenis in zo’n “kist” op de trap de bodem er uit was gevallen. Als je dan verschrikt reageerde met: “ en die dode dus ook?” dan luidde het antwoord: “nee, die kon zich gelukkig nog net aan de kanten vasthouden....”.

De riolen werkten niet goed meer en vanuit ons raam keken we de Amazonenstraat in waar vanuit de putten de viezigheid over de straat blubberde. Buurmeisje Els v/d S
sprak over; “wij wonen in de rue de la Poep”. Wijzelf zeiden het het anders, in het Amsterdams.

Nog een verhaaltje uit die tijd: een man had de moed opgegeven en wilde een einde aan zijn leven maken. Hij ging voor het gas liggen. Ging mooi niet door, er was geen gasdruk.
Ophangen moest uitkomst brengen. Maar het koord brak af, er was alleen papiertouw. Hij ging op de rails liggen: er reden geen treinen meer. Hij zag het als een vingerwijzing: ik moet door. Hij leefde verder van de rantsoenen en gaarkeuken en was binnen enkele dagen .... dood.
Ook uit de kraan kwam niet altijd water, geen druk en als er dan wat uitkwam was het vaak roestkleurig.
Ook daar was wat op gevonden. Chloor in poedervorm dat werkte zuiverend. En omdat dat natuurlijk niet te drinken was moest de chloorsmaak er af met Noritpoeder.
Buurtboef rode Appie vond na de bevrijding een gigantisch pak Noritpoeder nog thuis en heeft dat van het dak naar beneden gegooid. Gevolg: één grote zwarte explosie.

Ach over die periode zou ik lang kunnen doorgaan: ik maakte 6 “hongertochten” naar de kop van Noord-Holland, ben met mijn broer gearresteerd voor houtdiefstal met een vals persoonsbewijs op zak. Dat heeft mijn broer (die wegens jeugdige leeftijd vrijgelaten werd) er uit gesmokkeld, mijn tijdelijk onderduiken in Aalsmeer (Jachthaven De Nieuwe Meer) maar dat heeft meer met ons ter maken dan met de Stadionbuurt. Even time-out dus maar en dan verder over de tijd er na.

Ben Okker -  3 februari 2010
digiben (ad) planet.nl

omhoog  SLUITSTUK

Voor ons boven de grote rivieren kwam de bevrijding laat, voor sommigen te laat. Voor de gelukkigen was het een onvergetelijke periode. Er werd voedsel verstrekt, meat & vegatables, pork etc., ook lifebuoy-zeep. De blikken Canadese biskwies, waarvan we er teveel van aten en als je dan dronk zwollen ze op in je lijf en kreeg je kramp. We maakten kennis met eierpoeder en krabbelden heel langzaam terug.

Zelf meldde ik mij voor de luchtmacht, Japan was immers nog in oorlog en in de kampen in Indië zaten nog veel landgenoten. De luchtmacht werd verbindingstroepen en na mijn opleiding vertrok ik via 6 weken quarantaine in de Waalsdorpervlakte met de Johan van Oldenbarnevelt naar Engeland en vandaar later met de Kota Inten naar Indië. Tijdens mijn twee jarig verblijf in de tropen trof ik ook oude bekenden uit de Stadionbuurt.
Bij de moeder van Rooie Appie zat een onderduiker Dick genaamd. Hij bleek (reserve) officier te zijn Hoog op de Poentjakpas (de gevaarlijke weg toen van Batavia naar Bandoeng) zat ter beveiliging van konvooien een militair onderdeel. Tijdens een rustpauze gedurende een rit over die route zag ik daar een bekende: Dick, nu majoor Dick.
Ik heb me keurig gemeld: korporaal Okker uit de Jasonstraat.
Ik trof nog een buurtgenoot daar: Kees Henni. In Batavia liep ik eens Japie Schram tegen het lijf die (meen ik) op de Olympiakade woonde en in de buurt met de bevrijdingsfeesten aan zijn bas stond te “plukken”.
Als Sjakie Schram werd hij met Glaasje op . . . . wereldberoemd in ons land. In Indië zat hij bij de LSK, de luchtstrijdkrachten. Hij wel.

Nog een wil er er noemen: Wim Nannes van de Olympiaweg. Vlak voor de eerste politionele actie waren veel troepen in Bandoeng geconcentreerd. Ik zat op een open jeep in de spits met mijn zender/ontvanger (19-Set) en een vrij hoge antenne voor het onderhouden van de verbinding. Tamelijk kwetsbaar dus. We passeerden weapon-carriers, een soort onderste helft van een tank, van boven open. Daar zagen Wim Nannes en ik elkaar, waarbij hij me bemoedigend toeriep: ”ik zit tenminste tot mijn schouders het staal”
Wim trof ik pas weer in de loop van 1949, ja, op de Olympiaweg.
Hij haalde een beduimeld lucifersdoosje uit zijn zak en liet me de inhoud zien: wat rommelige stukjes lood. “Allemaal uit mijn schouder gehaald na een paar operaties “. Tja, soms is tot je schouders in het staal nog niet voldoende.
De Jasonstraat kwam één keer voor mij in actie. Toen ik thuis kwam uit de tropen hingen er minstens een half dozijn vlaggen. Het was eind 1948, het normale leven zou eindelijk beginnen.
Maar ze hadden ons vanaf 1940 aardig beziggehouden.

Ben Okker -  3 februari 2010
digiben (ad) planet.nl

omhoog  LOPEND TERUG  NIEUW

Eens kijken of het nog lukt. Visueel onze buurt doorlopen in de periode vanaf 1938 en volgende jaren. Toen, in ‘38 was ik 12 jaar, oud genoeg om het redelijk betrouwbaar na te vertellen en nu dus oud genoeg om dat niet te lang uit te stellen.

Ik vertelde het eerder: we woonden in de Jasonstraat op nr. 16 1 hoog. Tegenover de Amazonenstraat met op de hoek bakker Broersma. Daar haalden we ons brood, maar daar brachten we ook het bakblik met daarin de boterkoek gemberkoek in wording. Voor 10 cent ging die de oven in en werd keurig afgebakken. Zelf hadden we geen oven.
Ik herinner me een 3 pits gasstel, eigenlijk 2 1/2, want het middelste pitje was kleiner. Ja verder natuurlijk ook een 2-pits oliestel. Als daarop soep stond te trekken rook je die niet, wèl de olielucht.
Aan de keukenmuur zat verder qua outfit een koffiemolen-met-slinger die we gedurende de laatste oorlogsjaren naar de eeuwige jachtvelden draaiden door er tarwe en rogge in te malen en daar was de molen (van Ka-pé?) te fijn besnaard voor.
Maar laten we die olie lucht maar even ontvluchten, we zouden toch eerst de buurt in gaan.
Buiten zien we voorin rechts in de Amazonenstraat net een kar afladen. Dat is bij Tabak, de groentenman. Daar heb ik in de oorlog al vroeg in de rij gestaan voor mijn moeder, die dan zelf ergens anders in de rij stond. Het was een grote loterij. Je wist nooit waarmee Tabak zou terugkomen van de markt, maar niet geschoten is altijd mis.
O, van die rij moet ik nog een herinnering kwijt. In die tijd wisten we precies wie er “fout” waren in de buurt en geloof het of niet: ik kan ze nog zo opnoemen en het huis aanwijzen.
Goed, fout was ene mijnheer A de C., die ook in de Jasonstraat woonde. Een huiseigenaar. Hij stond ook in de groentenrij en natuurlijk zullen wij jongetjes van toen misschien 15/16 jaar hem wat geïrriteerd hebben. Maar plotseling, zo uit het niets, kreeg ik een klinkende klap in mijn gezicht. Normaliter zouden mensen gereageerd hebben maar ja, hij was fout en dus gevaarlijk en mijn vader was sterdrager dus extra kwetsbaar.
Stilte dus alom. Misschien een jaar later, wat dichter bij de hongerwinter. Een rij bij Tabak zoals gebruikelijk, ook A de C die, hij was al ouder, op wat kistjes zat. Tot Tabak naar buiten stoof en zei: ”nu heb ik je”. De foute slagman bleek wat aardappelen in zijn zak te hebben gestopt die hij uit de kist waarop hij z.g. uitrustte wist te halen. “Ik verdacht hem al een tijdje” zei Tabak, die ondanks smeekbeden weigerde aangifte te doen. Wel verstandig denk ik.
Na de oorlog emigreerden zowel bakker Broersma en de familie Tabak.

Maar laten we even naar de hoek lopen van de Stadionweg. Aan de rechterkant van de Jasonstraat zat daar slager van de Werf. Die ouwe toen nog. Later na de oorlog nam zijn zoon Frans het over. Op de linkerhoek zat A.P van der Heyden. Een kleermaker die ook in confectie deed. Niet slecht trouwens. De zaak groeide later, zoon Hans kwam er in, er kwam een prachtige zaak in winkelcentrum Amstelveen waarin inmiddels de kleinzoon van de kleermaker zit.
Daar voor was het beginpunt van lijn 24. Op het strookje waar Stadionweg en Olympiaweg elkaar raakten pasten nog twee winkels en een etalage van een derde met de ingang op de Stadionweg.
De eerste winkel was Danko, een soort drogist waar je ook petroleum kon kopen per liter. Voor het oliestel en ook voor de oliekachel. Als ik twee liter moest halen in de oliekan pompte men eerst een tweeliter glas vol en liet dat dan leeglopen via een trechter in mijn oliekan. Verder moest ik er wel groene zeep (net de gel van nu, maar dan om te ontvetten i.p.v. invetten)  vlokkenzeep halen maar je kon er ook voor 1 cent salmiakdrop halen. Dat deden ze in een vierkant papiertje. Naast Danko was een Portugeesjoods mannetje (da Silva Solis is mij bijgebleven) die fruit verkocht maar ook haring, bosjes sprot en uitgesneden bokking. Het Fruithuis heette de zaak geloof ik.
De etalage daarnaast was van Willems, die om de hoek een rijwielstalling had maar ook fietsen verkocht. Op de Stadionweg had Willems (een oud wielrenner) een soort oppompautomaat aan de gevel. 1 cent in de gleuf, dan gauw de slang op je ventiel houden en bingo: harde band. Het geheel was niet zonder risico. Ik denk dat er genoeg lucht uit kwam om een lege band geheel op te pompen. Ging het alleen om bijpompen dan was het oppassen geblazen. Bij een van de jongens ging de band met een harde knal naar de galemiezen. Om het oude jargon maar eens te gebruiken.

Tja, van hieruit kun het Stadion goed zien en de bijvelden. Voerbal betekende voor ons Blauwwit. “Heertje” Ferwerda, de keeper die, zoals later Frans de Munck als een manne-mannequin in het doel stond: Cootje Bergman.

Oost had z’n Ajax, west DWS en wij Blauwwit. Plus natuurlijk wielrennen, er waren ook avondwedstrijden, we zagen Arie van Vliet, Jan Derksen, maar ook b.v. van de Vijver. Na afloop zochten we er ook wikkels van chocoladerepen.. Daar zat een bon op en voor weet-ik-hoeveel van die bonnen kreeg je geschenken. Ik herinner me dat ik vaak gezocht heb maar herinner me niet één geschenk. Nee, dan Havé repen, daar zat een voetbalplaatje in, maar die waren minder lekker en wel duurder.

Zullen we even stoppen en later verder gaan? Ja, dat dacht ik wel, maar ja, dat is de latere generatie............

Ben Okker -  3 mei 2010
digiben (ad) planet.nl

 

omhoog  WIE SCHRIJFT, DIE BLIJFT   NIEUW

Hebt U ook de Nieuwsbrief van het Stadsarchief van Amsterdam?
Dat kan ik U warm aanbevelen: fotomateriaal en documentatie.
Toegang krijgen tot oude archieven van b.v. de Bijenkorf.
Recent ook tot de Index op de meldingsrapporten van de Amsterdamse Politie in de jaren 1940-1945.

Die kans kon ik niet voorbij laten gaan. Heeft niet elke familie zwarte schapen?
Dus was mijn logische gedachte: de naam Okker naslaan en eens kijken wie er niet deugde.
Zo gezegd,zo gedaan. Tot mijn niet geringe verrassing vond ik buiten de naam van mijn neef George (zie mijn bijdrage 179 “Het Masker af") die februari 1941 door Amsterdamse rechercheurs werd opgehaald en via de Euterpestraat uiteindelijk in Mauthausen terecht kwam waar hij 12 september 1941 stierf, ook mijn eigen naam. Het archief is (nog) niet openbaar dus weet ik niet zeker waaraan ik die eervolle vermelding te danken. heb, maar ik heb wel zo’n donkerbruin vermoeden....
Het was in de hongerwinter en ijzig koud. Mijn joodse vader was “te werk gesteld” in het Zandt en Groote Keeten aan de kust in Noord-Holland met vele “gemengd gehuwden”. Mijn moeder had de zorg voor drie zoons alleen.
Zelf werd ik die winter 18 jaar de broers waren resp., 3 en 9 jaar jonger. Aanvankelijk gebruikte ik het persoonsbewijs van mijn broer Fred, waardoor ik 15 jaar werd en bij controle veilig was. Via via werd mijn persoonsbewijs vervalst (1926 was absoluut onzichtbaar veranderd in 1929) zodat mijn broer zijn eigen persoonsbewijs terug kon krijgen.
Na een hongertocht in de kop van Noord-Holland was ik met wat tarwe thuis gekomen maar omdat er geen hout voor het noodkacheltje was hadden we die ochtend niets te eten. Fred en ik besloten dat probleem op te lossen en vertrokken - het was ‘s morgens heel vroeg - na mijn moeder beloofd te hebben “te sprokkelen” Fred nam de bijl mee en ik de zaag, soms zit sprokkelhout nl.. vast, dat wisten we uit ervaring.

We liepen van de Jasonstraat via het Stadionplein over de Amstelveenseweg richting Zuidelijke Wandelweg. Er was niets te vinden. Toen zijn we de Wandelweg opgegaan en kregen aan onze linkerhand het oude AFC-terrein.. Over de bevroren sloot gingen we daarop en ergens stond daar nog een huisje waarin nog een deur zat (mijn lezing). Nu is een deur van hout en dus goed bruikbaar.

Mijn broer , die verder het verhaal geheel onderschrijft, meent zich te herinneren dat we niet de deur hebben gesloopt en meegenomen, maar de leuning van het bruggetje over de bevroren sloot. Hoe dan ook: tevreden met onze vangst en het corpus delicti tussen ons in sloegen we dezelfde weg weer in naar huis.
Tot we vanuit de richting Amstelveenseweg 2 politieagentenzagen aankomen.
Ik meen “rechtsomkeert mars” gezegd te hebben en gebroederlijk draaiden we en liepen nu in iets versneld tempo de andere kant op. Helaas, ook daar kwamen 2 agenten vandaan. Wij smeten de deur/brugleuning richting sloot en gingen quasi van de natuur lopen genieten. Vergeefs.
“Pak dat hout maar op”, zei smeris 1.
Op datzelfde moment realiseerde ik me dat je ook politieagenten moeilijk kan vertellen dat je broer en jij 3 maanden van leeftijd verschillen en speelde mijn enige troef uit: “ik ben onderduiker, maakt dat misschien verschil ?” Dat deed het dus niet en hij vroeg naar de persoonsbewijzen. “Ik ben de mijne verloren”, zei ik.
Een vals persoonsbewijs zou de zaak nog veel erger voor mij maken.
We moesten het hout oppakken en meedragen en en masse gingen we naar het politiebureau dat toen aan de Stadionweg was, iets voorbij de Watteaustraat.
Er werden telefoontjes gepleegd en het werd duidelijk: “geef die van 15 maar een schop onder zijn kont, die andere gaat op transport”. Mijn broer is een natuurtalent. Kind van het nette ouders maar toch ! Hij wist zijn gebreide muts op mijn schoot te gooien, ik stopte mijn vervalste persoonsbewijs er in en hij zette zijn muts weer op. Een tijdje later werd hij inderdaad vrijgelaten en ik ging op ”transport” naar het hoofdbureau. Lopend, tussen twee grote agenten, die de pistooltas dicht naar de gesp van hun koppelriem hadden geschoven. “We kunnen je handboeien aandoen” zei er een, maar ik beloofde braaf mee te lopen. Ze namen hun taak serieus, toen op de Willemspatkweg iemand naar ik vermoed dood op straat viel en mensen de agenten aanriepen kreeg ik hoop/. Mooi niet: “We hebben een arrestant”.
Mevrouw Broersma (de vrouw van de bakker tegenover ons huis in de Jasonstraat) zag me ook en sprong van haar fiets, maar werd met een armzwaai
weggeduwd.
Op het hoofdbureau was het: zakken leeghalen (ik had er altijd een lepeltje in voor als je ergens wat te eten vond), veters er uit en ik kwam als tweede man in de achterste cel van een gang. Dat was ongunstig, bleek me , omdat de man die een boterham en een kop heet water met een inlegvelletje soep noemden ze dat) moest uitdelen mij oversloeg. “Dan heeft hij die boterham zelf al opgegeten”, zei de ervaren celgenoot.
Die wist mij verder te vertellen dat we zaten in afwachting van transport naar Amersfoort. Hij was kennelijk routinier wat vertelde me ook hoe je van een rijdende trein kunt springen. “Spring bij een paal, dan kom je veilig vòòr de volgende paal op de grond terecht. Spring je tussen de palen dat knal je tegen de volgende paal aan” Ik ben dat nooit vergeten hoewel ik het niet in de praktijk heb hoeven testen.
Nu moet ik het toneel verplaatsen naar de Jasonstraat, waar mijn broertje Freddy zonder zijn grote broer en zonder hout maar met grote vertraging terugkwam. Mijn moeder was in alle staten maar kon kennelijk wel rationeel denken. Om de hoek was het “duurdere brede deel” van de van Tuyll van Serooskerkenweg en daar woonden twee politie-inspecteurs, die we altijd in uniform op de fiets (dat wel) door onze straat zagen rijden. De inspecteurs Cammaert en Kuyk. Daar is mijn moeder heen gegaan en heeft om hulp gevraagd. Een van beiden vertelde haar dat hij helaas niets kon doen voor me en vreesde zelf niet lang meer in functie te zijn. Wel kon hij de naam opgeven van de enige, die dat wèl kon.
Dat was de commandant van de Schalkhaar-politie. De foute jongens, die gelegerd waren in een gebouw op de hoek van de Fred.Bolstraat en Pijnackerstraat. Buurman van de Stroom (hij woonde beneden ons) kon daar wel wat mee.
De man stotterde en als hij nerveus werd was het geen stotteren meer maar dan werd het geluiden uitstoten terwijl hij dan rood aanliep omdat hij zijn ei niet kwijt kon. Figuurlijk dan.
Die is stotterend en blazend doorgedrongen tot de zwarte commandant en heeft volgens de overlevering iets in de geest gezegd van : “ jullie hebben het gedaan bij me. Altijd sympathie gehad voor de nieuwe orde, Gerechtigheid dacht ik. Nou het is over. Ik weet wel beter nu. Helemaal over”
Hij brieste zo dat ze hem probeerden te kalmeren en de commandant sprak: ” Als er sprake is van onrecht zet ik dat persoonlijk recht. Vertel het nu eens rustig”
Buurman Stroom heeft toen iets gestotterd in de geest van: ’hij werkt in de Noord-Oostpolder, aardappelen rooien, komt dagje thuis bij zijn moeder. gaat sprokkelen en wordt opgepakt”. Hierop moet de Schalkhaar Commandant gezegd hebben: “Hoe heet hij? Okker , zei je?” daarna door de telefoon:  “Okker onmiddellijk vrijlaten”.
Terug naar de cel. Ik werd er uit gehaald en dacht nog even aan de goede raad wat het paalspringen betreft. We gingen naar een kastje, ik kreeg mijn lepeltje en zakdoek terug en werd de gangen uitgeleid. Toen kwamen we bij een deur, die oom agent opendeed. “Kan ik gaan?. Hij knikte.
“Maar hoe........”
“Ik zou verder maar geen vragen stellen”
Dat heb ik niet gedaan en in één gestrekte draf rende ik naar de Jasonstraat. Het noodkacheltje had wel even gebrand: met mijn valse persoonsbewijs. Zelf verdween ik toen maar voor een tijdje als onderduiker naar een jachthaven in Aalsmeer. En nu blijk ik nog te boek te staan bij de politie, 66 jaar later. Ik heb mijn dossier (hoewel het niet openbaar is) opgevraagd.
Ik ben benieuwd hoe de verslaglegging van de wederpartij luidt.

Ben Okker -  25 mei 2010
digiben (ad) planet.nl

Ben heeft "zijn" dagrapport opgevraagd. Het bleek alleen te gaan om een inschrijving in het arrestantenregister. Vermoedelijk is er nooit een proces-verbaal opgemaakt. (red.)


 

reacties mogen ook in het gastenboek worden geplaatst

omhoog

Terug naar de vorige pagina <<

hoofdmenu

Hit Counter